Naar de inhoud

aanrukken

komen

aanrukken

werkwoord ˈanrʏkə(n)

Betekenis

  1. komen
  2. aanrukken op: naderen

Hoe spreek je aanrukken uit?

/ˈanrʏkən/

Aanrukken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrʏkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
ʏ put
k kat
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanrukken

aanrukkenhele werkwoord — rukte aanverleden tijd enkelvoud — rukten aanverleden tijd meervoud — aangeruktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruk aan rukte aan
jij rukt aan rukte aan
hij, zij, het rukt aan rukte aan
wij rukken aan rukten aan
jullie rukken aan rukten aan
zij rukken aan rukten aan
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te rukken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen rukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal rukken bijzin, toekomende tijd
aan zou rukken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden rukken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt rukken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen rukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen rukken bijzin, toekomende tijd
aan zult rukken bijzin, toekomende tijd
aangerukt verleden tijd, deelwoord
aangerukt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangerukt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanruk bijzin, tegenwoordige tijd
aanrukkend onvoltooid, deelwoord
aanrukt bijzin, tegenwoordige tijd
aanrukte bijzin, verleden tijd
aanrukten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangerukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangerukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangerukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangerukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangerukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangerukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruk aan gebiedende wijs
rukte aan verleden tijd
te hebben aangerukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanrukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanrukken bijzin, toekomende tijd
zou aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanrukken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanrukken aan zou(dt) rukken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanrukken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangerukt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanrukken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanrukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanrukken bijzin, toekomende tijd
zult aangerukt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanrukken bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanrukken aan zult/zal rukken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en rukken ww

Woordfamilie van aanrukken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangerukt voltooid deelwoord aanrukken
aangerukte woordvorm aanrukken
aanruk subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanrukken
aanrukke with-subordinate-clause aanrukken
aanrukkend onvoltooid deelwoord aanrukken
aanrukkende woordvorm aanrukken
aanrukt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanrukken
aanrukte subordinate-clause, verleden tijd aanrukken
aanrukten subordinate-clause, verleden tijd aanrukken
ruk aan gebiedende wijs aanrukken
rukke aan woordvorm aanrukken
rukken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanrukken
rukt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanrukken
rukte aan verleden tijd aanrukken
rukten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanrukken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrukken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanrukken

Hoe spreek ik aanrukken uit?
Zo spreek je aanrukken uit: /ˈanrʏkə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanrukken?
Aanrukken is een werkwoord. De betekenis is: komen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanrukken?
Zo vervoeg je aanrukken zo: het voltooid deelwoord is aangerukt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanrukken is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. U 4
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanrukken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. U 2
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanrukken in het kort

aanrukken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanrukken staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanrukken bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanrukken: komen
Deel aanrukken — standaardnederlands.nl