aanrommelen
werkwoord ˈanrɔmələ(n)Betekenis
- planloos te werk gaan
Hoe spreek je aanrommelen uit?
/ˈanrɔmələn/
Aanrommelen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| r | rood |
| ɔ | bot |
| m | maan |
| ə | de |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanrommelen
aanrommelenhele werkwoord — rommelde aanverleden tijd enkelvoud — rommelden aanverleden tijd meervoud — aangerommeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rommel aan | rommelde aan |
| jij | rommelt aan | rommelde aan |
| hij, zij, het | rommelt aan | rommelde aan |
| wij | rommelen aan | rommelden aan |
| jullie | rommelen aan | rommelden aan |
| zij | rommelen aan | rommelden aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal rommelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou rommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden rommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt rommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen rommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen rommelen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult rommelen | bijzin, toekomende tijd |
| aangerommeld | verleden tijd, deelwoord |
| aangerommeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangerommeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanrommel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanrommelde | bijzin, verleden tijd |
| aanrommelden | bijzin, verleden tijd |
| aanrommelend | onvoltooid, deelwoord |
| aanrommelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| er is aangerommeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangerommeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangerommeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangerommeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangerommeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangerommeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangerommeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangerommeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangerommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangerommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangerommeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangerommeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangerommeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangerommeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rommel aan | gebiedende wijs |
| rommelde aan | verleden tijd |
| te hebben aangerommeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanrommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanrommelen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanrommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanrommelen aan zou(dt) rommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanrommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangerommeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanrommelen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanrommelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanrommelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangerommeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanrommelen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanrommelen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanrommelen aan zult/zal rommelen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en rommelen ww
Woordfamilie van aanrommelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangerommeld | voltooid deelwoord | aanrommelen |
| aangerommelde | woordvorm | aanrommelen |
| aanrommel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrommelen |
| aanrommelde | subordinate-clause, verleden tijd | aanrommelen |
| aanrommelden | subordinate-clause, verleden tijd | aanrommelen |
| aanrommele | with-subordinate-clause | aanrommelen |
| aanrommelend | onvoltooid deelwoord | aanrommelen |
| aanrommelende | woordvorm | aanrommelen |
| aanrommelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanrommelen |
| rommel aan | gebiedende wijs | aanrommelen |
| rommelde aan | verleden tijd | aanrommelen |
| rommelden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanrommelen |
| rommele aan | woordvorm | aanrommelen |
| rommelen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanrommelen |
| rommelt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanrommelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrommelen zijn vastgelegd.