Naar de inhoud

aanroepen

met roepen iemands aan aandacht vragen

aanroepen is meer dan één woord

aanroepen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈanrupə(n)

Betekenis

  1. met roepen iemands aan aandacht vragen
  2. bidden tot
  3. een subprogramma uitvoeren

Hoe spreek je aanroepen uit?

/ˈanrupən/

Aanroepen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrupən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
u boek
p pak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een subprogramma (subroutine) uitvoeren

Vervoeging van aanroepen

aanroepenhele werkwoord — riep aanverleden tijd enkelvoud — riepen aanverleden tijd meervoud — aangeroepenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik roep aan riep aan
jij roept aan riep aan
hij, zij, het roept aan riep aan
wij roepen aan riepen aan
jullie roepen aan riepen aan
zij roepen aan riepen aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te roepen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal roepen bijzin, toekomende tijd
aan zou roepen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden roepen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt roepen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen roepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen roepen bijzin, toekomende tijd
aan zult roepen bijzin, toekomende tijd
aangeroepen verleden tijd, deelwoord
aangeroepen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeroepen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeroepen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeroepen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeroepen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeroepen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeroepen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeroepen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeroepen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeroepen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanriep bijzin, verleden tijd
aanriepen bijzin, verleden tijd
aanroep bijzin, tegenwoordige tijd
aanroepend onvoltooid, deelwoord
aanroept bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangeroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangeroepen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangeroepen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangeroepen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangeroepen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangeroepen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangeroepen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangeroepen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
riep aan verleden tijd
roep aan gebiedende wijs
te hebben aangeroepen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangeroepen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangeroepen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangeroepen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangeroepen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanroepen bijzin, toekomende tijd
zijn aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangeroepen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanroepen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanroepen aan zou(dt) roepen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanroepen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeroepen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeroepen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanroepen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangeroepen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeroepen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanroepen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanroepen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanroepen bijzin, toekomende tijd
zult aangeroepen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aanroep

Herkomst

samenstelling van aan vz en roepen ww

Woordfamilie van aanroepen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeroepen voltooid deelwoord aanroepen
aanriep subordinate-clause, verleden tijd aanroepen
aanriepen subordinate-clause, verleden tijd aanroepen
aanroepe with-subordinate-clause aanroepen
aanroepend onvoltooid deelwoord aanroepen
aanroepende woordvorm aanroepen
aanroept subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanroepen
riep aan verleden tijd aanroepen
riepen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanroepen
roep aan gebiedende wijs aanroepen
roepe aan woordvorm aanroepen
roepen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanroepen
roept aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanroepen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanroepen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanroepen

Hoe spreek je aanroepen uit?
De uitspraak van aanroepen is: /ˈanrupə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanroepen?
Aanroepen is een werkwoord. Het woord betekent: met roepen iemands aan aandacht vragen. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanroepen?
Je vervoegt aanroepen als volgt: het voltooid deelwoord is aangeroepen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanroepen is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. P 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanroepen levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. O 1
  6. E 1
  7. P 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 13 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanroepen in het kort

aanroepen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanroepen zijn 89 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanroepen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanroepen: met roepen iemands aan aandacht vragen
Deel aanroepen — standaardnederlands.nl