Naar de inhoud

aanrijgen

aan een draad rijgen

aanrijgen

werkwoord ˈanrɛiɣə(n)

Betekenis

  1. aan een draad rijgen
  2. vaster rijgen

Hoe spreek je aanrijgen uit?

/ˈanrɛixən/

Aanrijgen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanrɛixən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
r rood
ɛi trein
x acht
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanrijgen

aanrijgenhele werkwoord — reeg aanverleden tijd enkelvoud — regen aanverleden tijd meervoud — aangeregenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik rijg aan reeg aan
jij rijgt aan reeg aan
hij, zij, het rijgt aan reeg aan
wij rijgen aan regen aan
jullie rijgen aan regen aan
zij rijgen aan regen aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te rijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen rijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal rijgen bijzin, toekomende tijd
aan zou rijgen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden rijgen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt rijgen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen rijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen rijgen bijzin, toekomende tijd
aan zult rijgen bijzin, toekomende tijd
aangeregen verleden tijd, deelwoord
aangeregen te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeregen te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangeregen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeregen te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeregen te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangeregen worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeregen zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangeregen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeregen zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangeregen zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanreeg bijzin, verleden tijd
aanregen bijzin, verleden tijd
aanrijg bijzin, tegenwoordige tijd
aanrijgend onvoltooid, deelwoord
aanrijgt bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangeregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangeregen impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangeregen impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangeregen impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangeregen worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangeregen zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangeregen worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangeregen zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangeregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangeregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangeregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangeregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
reeg aan verleden tijd
rijg aan gebiedende wijs
te hebben aangeregen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanrijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangeregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangeregen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangeregen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangeregen voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangeregen enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangeregen enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangeregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangeregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanrijgen bijzin, toekomende tijd
zijn aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangeregen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanrijgen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanrijgen aan zou(dt) rijgen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanrijgen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangeregen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangeregen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanrijgen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangeregen worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangeregen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangeregen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangeregen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanrijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanrijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanrijgen bijzin, toekomende tijd
zult aangeregen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en rijgen ww

Woordfamilie van aanrijgen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangeregen voltooid deelwoord aanrijgen
aanreeg subordinate-clause, verleden tijd aanrijgen
aanregen subordinate-clause, verleden tijd aanrijgen
aanrijg subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanrijgen
aanrijge with-subordinate-clause aanrijgen
aanrijgend onvoltooid deelwoord aanrijgen
aanrijgende woordvorm aanrijgen
aanrijgt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanrijgen
reeg aan verleden tijd aanrijgen
regen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanrijgen
rijg aan gebiedende wijs aanrijgen
rijge aan woordvorm aanrijgen
rijgen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanrijgen
rijgt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanrijgen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanrijgen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanrijgen

Hoe spreek je aanrijgen uit?
De uitspraak van aanrijgen is: /ˈanrɛiɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aanrijgen?
Aanrijgen is een werkwoord. Het woord betekent: aan een draad rijgen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aanrijgen?
Je vervoegt aanrijgen als volgt: het voltooid deelwoord is aangeregen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanrijgen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanrijgen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. R 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanrijgen in het kort

aanrijgen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aanrijgen zijn 88 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aanrijgen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aanrijgen: aan een draad rijgen
Deel aanrijgen — standaardnederlands.nl