aanmeren
werkwoord ˈamerə(n)Betekenis
- (een schip) aanleggen
Hoe spreek je aanmeren uit?
/ˈamerən/
Aanmeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| e | veel |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aanleggen transitive
Vervoeging van aanmeren
aanmerenhele werkwoord — meerde aanverleden tijd enkelvoud — meerden aanverleden tijd meervoud — aangemeerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | meer aan | meerde aan |
| jij | meert aan | meerde aan |
| hij, zij, het | meert aan | meerde aan |
| wij | meren aan | meerden aan |
| jullie | meren aan | meerden aan |
| zij | meren aan | meerden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te meren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal meren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou meren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden meren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt meren | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen meren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen meren | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult meren | bijzin, toekomende tijd |
| aangemeerd | verleden tijd, deelwoord |
| aangemeerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangemeerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangemeerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangemeerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangemeerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangemeerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangemeerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangemeerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangemeerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangemeerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanmeer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanmeerde | bijzin, verleden tijd |
| aanmeerden | bijzin, verleden tijd |
| aanmeert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanmerend | onvoltooid, deelwoord |
| ben aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangemeerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangemeerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangemeerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangemeerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangemeerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangemeerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| meer aan | gebiedende wijs |
| meerde aan | verleden tijd |
| te hebben aangemeerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangemeerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangemeerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangemeerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangemeerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanmeren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangemeerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanmeren aan zou(dt) meren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangemeerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangemeerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanmeren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangemeerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangemeerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanmeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanmeren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanmeren | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangemeerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en meren ww
Woordfamilie van aanmeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangemeerd | voltooid deelwoord | aanmeren |
| aangemeerde | woordvorm | aanmeren |
| aanmeer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanmeren |
| aanmeerde | subordinate-clause, verleden tijd | aanmeren |
| aanmeerden | subordinate-clause, verleden tijd | aanmeren |
| aanmeert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanmeren |
| aanmere | with-subordinate-clause | aanmeren |
| aanmerend | onvoltooid deelwoord | aanmeren |
| aanmerende | woordvorm | aanmeren |
| meer aan | gebiedende wijs | aanmeren |
| meerde aan | verleden tijd | aanmeren |
| meerden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanmeren |
| meert aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanmeren |
| mere aan | woordvorm | aanmeren |
| meren aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanmeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanmeren zijn vastgelegd.