aanmanen
werkwoord ˈanmanə(n)Betekenis
- aansporen, manen
Hoe spreek je aanmanen uit?
/ˈanmanən/
Aanmanen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| m | maan |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- aansporen, manen, bevelen, oproepen transitive
Vervoeging van aanmanen
aanmanenhele werkwoord — maande aanverleden tijd enkelvoud — maanden aanverleden tijd meervoud — aangemaandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maan aan | maande aan |
| jij | maant aan | maande aan |
| hij, zij, het | maant aan | maande aan |
| wij | manen aan | maanden aan |
| jullie | manen aan | maanden aan |
| zij | manen aan | maanden aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te manen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen manen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal manen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou manen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden manen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt manen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen manen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen manen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult manen | bijzin, toekomende tijd |
| aangemaand | verleden tijd, deelwoord |
| aangemaand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangemaand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanmaan | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanmaande | bijzin, verleden tijd |
| aanmaanden | bijzin, verleden tijd |
| aanmaant | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanmanend | onvoltooid, deelwoord |
| er is aangemaand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangemaand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangemaand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangemaand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangemaand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangemaand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangemaand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangemaand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangemaand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangemaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangemaand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangemaand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangemaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangemaand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangemaand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangemaand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangemaand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maan aan | gebiedende wijs |
| maande aan | verleden tijd |
| te hebben aangemaand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanmanen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanmanen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanmanen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanmanen aan zou(dt) manen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanmanen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangemaand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanmanen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanmanen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanmanen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangemaand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanmanen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanmanen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanmanen aan zult/zal manen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en manen ww
Woordfamilie van aanmanen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangemaand | voltooid deelwoord | aanmanen |
| aangemaande | woordvorm | aanmanen |
| aanmaan | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanmanen |
| aanmaande | subordinate-clause, verleden tijd | aanmanen |
| aanmaanden | subordinate-clause, verleden tijd | aanmanen |
| aanmaant | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanmanen |
| aanmane | with-subordinate-clause | aanmanen |
| aanmanend | onvoltooid deelwoord | aanmanen |
| aanmanende | woordvorm | aanmanen |
| maan aan | gebiedende wijs | aanmanen |
| maande aan | verleden tijd | aanmanen |
| maanden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanmanen |
| maant aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanmanen |
| mane aan | woordvorm | aanmanen |
| manen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanmanen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanmanen zijn vastgelegd.