Naar de inhoud

aanlachen

toelachen, gunstig zijn

aanlachen

werkwoord ˈanlɑxə(n)

Betekenis

  1. toelachen, gunstig zijn
  2. bekoren

Hoe spreek je aanlachen uit?

/ˈanlɑxən/

Aanlachen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanlɑxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
l land
ɑ bad
x acht
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanlachen

aanlachenhele werkwoord — lachte aanverleden tijd enkelvoud — lachten aanverleden tijd meervoud — aangelachenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik lach aan lachte aan
jij lacht aan lachte aan
hij, zij, het lacht aan lachte aan
wij lachen aan lachten aan
jullie lachen aan lachten aan
zij lachen aan lachten aan
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te lachen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal lachen bijzin, toekomende tijd
aan zou lachen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden lachen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt lachen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen lachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen lachen bijzin, toekomende tijd
aan zult lachen bijzin, toekomende tijd
aangelachen verleden tijd, deelwoord
aangelachen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangelachen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanlach bijzin, tegenwoordige tijd
aanlachend onvoltooid, deelwoord
aanlacht bijzin, tegenwoordige tijd
aanlachte bijzin, verleden tijd
aanlachten bijzin, verleden tijd
aanlachtet bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangelachen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangelachen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangelachen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangelachen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
lach aan gebiedende wijs
lachte aan verleden tijd
te hebben aangelachen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanlachen bijzin, toekomende tijd
zou aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanlachen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanlachen aan zou(dt) lachen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanlachen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangelachen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanlachen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanlachen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanlachen bijzin, toekomende tijd
zult aangelachen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aanlachen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aanlachen bijzin, toekomende tijd
zult/zal aanlachen aan zult/zal lachen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en lachen ww

Woordfamilie van aanlachen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangelachen voltooid deelwoord aanlachen
aanlach subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanlachen
aanlache with-subordinate-clause aanlachen
aanlachend onvoltooid deelwoord aanlachen
aanlachende woordvorm aanlachen
aanlacht subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanlachen
aanlachte subordinate-clause, verleden tijd aanlachen
aanlachten subordinate-clause, verleden tijd aanlachen
lach aan gebiedende wijs aanlachen
lache aan woordvorm aanlachen
lachen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanlachen
lacht aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanlachen
lachte aan verleden tijd aanlachen
lachten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanlachen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanlachen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanlachen

Hoe spreek ik aanlachen uit?
Zo spreek je aanlachen uit: /ˈanlɑxə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanlachen?
Aanlachen is een werkwoord. De betekenis is: toelachen, gunstig zijn. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanlachen?
Zo vervoeg je aanlachen zo: het voltooid deelwoord is aangelachen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanlachen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanlachen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 84 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. L 3
  5. A 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 84 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanlachen in het kort

aanlachen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanlachen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanlachen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanlachen: toelachen, gunstig zijn
Deel aanlachen — standaardnederlands.nl