Naar de inhoud

aankunnen

iets of iemand de baas kunnen zijn

aankunnen

werkwoord ˈaŋkʏnə(n)

Betekenis

  1. iets of iemand de baas kunnen zijn
  2. een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
  3. iets kunnen verdragen

Hoe spreek je aankunnen uit?

/ˈaŋkʏnən/

Aankunnen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈaŋkʏnən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
ŋ ding
k kat
ʏ put
n nek
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aankunnen

aankunnenhele werkwoord — kon aanverleden tijd enkelvoud — konden aanverleden tijd meervoud — aangekundvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kan aan kon aan
jij kan aan kon aan
hij, zij, het kan aan kon aan
wij kunnen aan konden aan
jullie kunnen aan konden aan
zij kunnen aan konden aan
Alle 146 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te kunnen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen kunnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal kunnen bijzin, toekomende tijd
aan zou kunnen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden kunnen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt kunnen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen kunnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen kunnen bijzin, toekomende tijd
aan zult kunnen bijzin, toekomende tijd
aangekund verleden tijd, deelwoord
aangekund te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangekund te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangekund te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekund te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekund te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekund worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangekund zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangekund zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangekund zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangekund zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aankan bijzin, tegenwoordige tijd
aankon bijzin, verleden tijd
aankonden bijzin, verleden tijd
aankondt bijzin, verleden tijd
aankunnend onvoltooid, deelwoord
aankunt bijzin, tegenwoordige tijd
ben aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangekund impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangekund impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangekund impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangekund impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangekund worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangekund zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangekund worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangekund zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangekund voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangekund voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangekund voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangekund voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekund actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kan aan gebiedende wijs
kon aan verleden tijd
te hebben aangekund actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aankunnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekund voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekund voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangekund voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangekund voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangekund voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangekund enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangekund enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangekund zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekund zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aankunnen bijzin, toekomende tijd
zijn aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangekund voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aankunnen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aankunnen aan zou(dt) kunnen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aankunnen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangekund hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangekund zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aankunnen bijzin, voorwaardelijk
zullen aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekund hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangekund worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangekund zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekund zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekund zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aankunnen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aankunnen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aankunnen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van aan vz en kunnen ww

Woordfamilie van aankunnen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangekund voltooid deelwoord aankunnen
aankan subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankunnen
aankon subordinate-clause, verleden tijd aankunnen
aankonden subordinate-clause, verleden tijd aankunnen
aankunne with-subordinate-clause aankunnen
aankunnend onvoltooid deelwoord aankunnen
aankunnende woordvorm aankunnen
kan aan gebiedende wijs aankunnen
kon aan verleden tijd aankunnen
konden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aankunnen
kondt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon aankunnen
kunne aan woordvorm aankunnen
kunnen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aankunnen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankunnen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aankunnen

Hoe spreek je aankunnen uit?
De uitspraak van aankunnen is: /ˈaŋkʏnə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aankunnen?
Aankunnen is een werkwoord. Het woord betekent: iets of iemand de baas kunnen zijn. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aankunnen?
Je vervoegt aankunnen als volgt: het voltooid deelwoord is aangekund. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aankunnen is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. U 4
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aankunnen levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 54 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. U 2
  6. N 1
  7. N 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 12 zonder bonus
  11. 54 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aankunnen in het kort

aankunnen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aankunnen zijn 90 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aankunnen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aankunnen: iets of iemand de baas kunnen zijn
Deel aankunnen — standaardnederlands.nl