aankoersen
werkwoord ˈaŋkursə(n)Betekenis
- naar een bepaalde bestemming varen
- door het volgen van bepaalde stappen naar iets toe werken
Hoe spreek je aankoersen uit?
/ˈaŋkursən/
Aankoersen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| ŋ | ding |
| k | kat |
| u | boek |
| r | rood |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aankoersen
aankoersenhele werkwoord — koerste aanverleden tijd enkelvoud — koersten aanverleden tijd meervoud — aangekoerstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | koers aan | koerste aan |
| jij | koerst aan | koerste aan |
| hij, zij, het | koerst aan | koerste aan |
| wij | koersen aan | koersten aan |
| jullie | koersen aan | koersten aan |
| zij | koersen aan | koersten aan |
Alle 82 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te koersen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen koersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal koersen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou koersen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden koersen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt koersen | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen koersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen koersen | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult koersen | bijzin, toekomende tijd |
| aangekoerst | verleden tijd, deelwoord |
| aangekoerst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekoerst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aankoers | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankoersend | onvoltooid, deelwoord |
| aankoerst | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankoerste | bijzin, verleden tijd |
| aankoersten | bijzin, verleden tijd |
| er is aangekoerst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangekoerst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangekoerst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangekoerst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangekoerst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangekoerst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangekoerst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangekoerst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangekoerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangekoerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangekoerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangekoerst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangekoerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangekoerst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangekoerst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangekoerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangekoerst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| koers aan | gebiedende wijs |
| koerste aan | verleden tijd |
| te hebben aangekoerst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aankoersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aankoersen | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aankoersen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aankoersen aan zou(dt) koersen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aankoersen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangekoerst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aankoersen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aankoersen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aankoersen | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangekoerst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aankoersen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aankoersen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aankoersen aan zult/zal koersen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en koersen ww
Woordfamilie van aankoersen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangekoerst | voltooid deelwoord | aankoersen |
| aankoers | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankoersen |
| aankoerse | with-subordinate-clause | aankoersen |
| aankoersend | onvoltooid deelwoord | aankoersen |
| aankoersende | woordvorm | aankoersen |
| aankoerst | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankoersen |
| aankoerste | subordinate-clause, verleden tijd | aankoersen |
| aankoersten | subordinate-clause, verleden tijd | aankoersen |
| koers aan | gebiedende wijs | aankoersen |
| koerse aan | woordvorm | aankoersen |
| koersen aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aankoersen |
| koerst aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aankoersen |
| koerste aan | verleden tijd | aankoersen |
| koersten aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aankoersen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankoersen zijn vastgelegd.