aankleden
werkwoord ˈaɲkledə(n)Betekenis
- meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien, decoreren, versieren
- iets of iemand kleren aandoen
- zich ~: zijn kledij aantrekken
Hoe spreek je aankleden uit?
/ˈanjkledən/
Aankleden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| j | ja |
| k | kat |
| l | land |
| e | veel |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aankleedden.
Vervoeging van aankleden
aankledenhele werkwoord — kleedde aanverleden tijd enkelvoud — kleedden aanverleden tijd meervoud — aangekleedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kleed aan | kleedde aan |
| jij | kleedt aan | kleedde aan |
| hij, zij, het | kleedt aan | kleedde aan |
| wij | kleden aan | kleedden aan |
| jullie | kleden aan | kleedden aan |
| zij | kleden aan | kleedden aan |
Alle 158 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te kleden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen kleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal kleden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou kleden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden kleden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt kleden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen kleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen kleden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult kleden | bijzin, toekomende tijd |
| aangekleed | verleden tijd, deelwoord |
| aangekleed te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangekleed te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangekleed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekleed te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekleed te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangekleed worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangekleed zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangekleed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangekleed zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangekleed zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aankledend | onvoltooid, deelwoord |
| aankleed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aankleedde | bijzin, verleden tijd |
| aankleedden | bijzin, verleden tijd |
| aankleedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ben aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is aangekleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangekleed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangekleed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangekleed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangekleed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangekleed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangekleed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangekleed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangekleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kleed aan | gebiedende wijs |
| kleed u/je aan, kleedt je aan | gebiedende wijs |
| kleedde aan | verleden tijd |
| te hebben aangekleed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aankleden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangekleed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangekleed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangekleed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangekleed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangekleed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangekleed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aankleden | bijzin, toekomende tijd |
| zal me aankleden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal zich aankleden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je aankleden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich aangekleed hebben | verleden tijd |
| zich aankledend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangekleed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aankleden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aankleden aan zou(dt) kleden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aankleden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangekleed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangekleed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aankleden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aankleden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangekleed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangekleed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangekleed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangekleed zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangekleed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en kleden ww
Woordfamilie van aankleden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanklede | with-subordinate-clause | aankleden |
| aankledend | onvoltooid deelwoord | aankleden |
| aankledende | woordvorm | aankleden |
| aankleed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankleden |
| aankleedde | subordinate-clause, verleden tijd | aankleden |
| aankleedden | subordinate-clause, verleden tijd | aankleden |
| aankleedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aankleden |
| klede aan | woordvorm | aankleden |
| kleden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aankleden |
| kleed aan | gebiedende wijs | aankleden |
| kleedde aan | verleden tijd | aankleden |
| kleedden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aankleden |
| kleedt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aankleden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankleden zijn vastgelegd.