Naar de inhoud

aankakken

volks (alleen in spreekwoorden)

aankakken

werkwoord ˈaɲkɑkə(n)

Betekenis

  1. volks (alleen in spreekwoorden)

Hoe spreek je aankakken uit?

/ˈanjkɑkən/

Aankakken bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanjkɑkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
j ja
k kat
ɑ bad
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. volks

Vervoeging van aankakken

aankakkenhele werkwoord — kakte aanverleden tijd enkelvoud — kakten aanverleden tijd meervoud — aangekaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kak aan kakte aan
jij kakt aan kakte aan
hij, zij, het kakt aan kakte aan
wij kakken aan kakten aan
jullie kakken aan kakten aan
zij kakken aan kakten aan
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
aan te kakken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen kakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal kakken bijzin, toekomende tijd
aan zou kakken bijzin, voorwaardelijk
aan zouden kakken bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt kakken bijzin, voorwaardelijk
aan zullen kakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen kakken bijzin, toekomende tijd
aan zult kakken bijzin, toekomende tijd
aangekakt verleden tijd, deelwoord
aangekakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aankak bijzin, tegenwoordige tijd
aankakkend onvoltooid, deelwoord
aankakt bijzin, tegenwoordige tijd
aankakte bijzin, verleden tijd
aankakten bijzin, verleden tijd
ev. gebiedende wijs
had aangekakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangekakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangekakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangekakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangekakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangekakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangekakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kak aan gebiedende wijs
kakte aan verleden tijd
te hebben aangekakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aankakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aankakken bijzin, toekomende tijd
zou aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aankakken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aankakken aan zou(dt) kakken bijzin, voorwaardelijk
zouden aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aankakken bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangekakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aankakken bijzin, voorwaardelijk
zullen aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aankakken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aankakken bijzin, toekomende tijd
zult aangekakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aankakken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult aankakken bijzin, toekomende tijd
zult/zal aankakken aan zult/zal kakken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

Van Indonesisch kaki, vlg. kakkie.

Woordfamilie van aankakken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangekakt voltooid deelwoord aankakken
aangekakte woordvorm aankakken
aankak subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankakken
aankakkend onvoltooid deelwoord aankakken
aankakkende woordvorm aankakken
aankakt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankakken
aankakte subordinate-clause, verleden tijd aankakken
aankakten subordinate-clause, verleden tijd aankakken
kak aan gebiedende wijs aankakken
kakken aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aankakken
kakt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aankakken
kakte aan verleden tijd aankakken
kakten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aankakken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankakken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aankakken

Hoe spreek je aankakken uit?
De uitspraak van aankakken is: /ˈaɲkɑkə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent aankakken?
Aankakken is een werkwoord. Het woord betekent: volks (alleen in spreekwoorden). Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je aankakken?
Je vervoegt aankakken als volgt: het voltooid deelwoord is aangekakt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aankakken is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. A 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aankakken levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. A 1
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aankakken in het kort

aankakken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van aankakken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort aankakken bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

aankakken: volks (alleen in spreekwoorden)
Deel aankakken — standaardnederlands.nl