Naar de inhoud

aankaarten

door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven

aankaarten

werkwoord ˈaɲkartə(n)

Betekenis

  1. door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
  2. tot onderwerp van discussie maken

Hoe spreek je aankaarten uit?

/ˈanjkartən/

Aankaarten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanjkartən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
j ja
k kat
r rood
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aankaartten.

Vervoeging van aankaarten

aankaartenhele werkwoord — kaartte aanverleden tijd enkelvoud — kaartten aanverleden tijd meervoud — aangekaartvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kaart aan kaartte aan
jij kaart aan kaartte aan
hij, zij, het kaart aan kaartte aan
wij kaarten aan kaartten aan
jullie kaarten aan kaartten aan
zij kaarten aan kaartten aan
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te kaarten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen kaarten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal kaarten bijzin, toekomende tijd
aan zou kaarten bijzin, voorwaardelijk
aan zouden kaarten bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt kaarten bijzin, voorwaardelijk
aan zullen kaarten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen kaarten bijzin, toekomende tijd
aan zult kaarten bijzin, toekomende tijd
aangekaart verleden tijd, deelwoord
aangekaart te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangekaart te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangekaart te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekaart te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekaart te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangekaart worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangekaart zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangekaart zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangekaart zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangekaart zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aankaart bijzin, tegenwoordige tijd
aankaartend onvoltooid, deelwoord
aankaartte bijzin, verleden tijd
aankaartten bijzin, verleden tijd
ben aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangekaart impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangekaart impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangekaart impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangekaart impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangekaart worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangekaart zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangekaart worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangekaart zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangekaart voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangekaart voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangekaart voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangekaart voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekaart actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kaart aan gebiedende wijs
kaartte aan verleden tijd
te hebben aangekaart actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aankaarten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekaart voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangekaart voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangekaart voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangekaart voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangekaart voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangekaart enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangekaart enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangekaart zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangekaart zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aankaarten bijzin, toekomende tijd
zijn aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangekaart voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aankaarten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aankaarten aan zou(dt) kaarten bijzin, voorwaardelijk
zouden aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aankaarten bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangekaart hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangekaart zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aankaarten bijzin, voorwaardelijk
zullen aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangekaart zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangekaart zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangekaart zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aankaarten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aankaarten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aankaarten bijzin, toekomende tijd
zult aangekaart hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aangekaart worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en kaarten ww

Woordfamilie van aankaarten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangekaart voltooid deelwoord aankaarten
aangekaarte woordvorm aankaarten
aankaart subordinate-clause, tegenwoordige tijd aankaarten
aankaarte with-subordinate-clause aankaarten
aankaartend onvoltooid deelwoord aankaarten
aankaartende woordvorm aankaarten
aankaartte subordinate-clause, verleden tijd aankaarten
aankaartten subordinate-clause, verleden tijd aankaarten
kaart aan gebiedende wijs aankaarten
kaarte aan woordvorm aankaarten
kaarten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aankaarten
kaartte aan verleden tijd aankaarten
kaartten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aankaarten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aankaarten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aankaarten

Hoe spreek ik aankaarten uit?
Zo spreek je aankaarten uit: /ˈaɲkartə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aankaarten?
Aankaarten is een werkwoord. De betekenis is: door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aankaarten?
Zo vervoeg je aankaarten zo: het voltooid deelwoord is aangekaart. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aankaarten is 14 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. R 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aankaarten levert met Wordfeud minimaal 14 en maximaal 60 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. K 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. R 2
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 14 zonder bonus
  12. 60 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aankaarten in het kort

aankaarten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aankaarten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aankaarten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aankaarten: door een bepaalde kaart uit te spelen een medespeler een aanwijzing geven
Deel aankaarten — standaardnederlands.nl