Naar de inhoud

aanhechten

vastmaken

aanhechten

werkwoord ˈanhɛxtə(n)

Betekenis

  1. vastmaken
  2. een nieuwe of gebroken draad vasthechten

Hoe spreek je aanhechten uit?

/ˈanhɛxtən/

Aanhechten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈanhɛxtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
n nek
h hoed
ɛ bed
x acht
t tak
ə de
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Klinkt hetzelfde als aanhechtten.

Vervoeging van aanhechten

aanhechtenhele werkwoord — hechtte aanverleden tijd enkelvoud — hechtten aanverleden tijd meervoud — aangehechtvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik hecht aan hechtte aan
jij hecht aan hechtte aan
hij, zij, het hecht aan hechtte aan
wij hechten aan hechtten aan
jullie hechten aan hechtten aan
zij hechten aan hechtten aan
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te hechten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen hechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal hechten bijzin, toekomende tijd
aan zou hechten bijzin, voorwaardelijk
aan zouden hechten bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt hechten bijzin, voorwaardelijk
aan zullen hechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen hechten bijzin, toekomende tijd
aan zult hechten bijzin, toekomende tijd
aangehecht verleden tijd, deelwoord
aangehecht te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehecht te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangehecht te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehecht te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehecht te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangehecht worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehecht zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangehecht zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehecht zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangehecht zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aanhecht bijzin, tegenwoordige tijd
aanhechtend onvoltooid, deelwoord
aanhechtte bijzin, verleden tijd
aanhechtten bijzin, verleden tijd
ben aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is aangehecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangehecht impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangehecht impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangehecht impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangehecht worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangehecht zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangehecht worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangehecht zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hecht aan gebiedende wijs
hechtte aan verleden tijd
heeft aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangehecht actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanhechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangehecht voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangehecht voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangehecht voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangehecht enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangehecht enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangehecht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangehecht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanhechten bijzin, toekomende tijd
zijn aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangehecht voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanhechten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) aanhechten aan zou(dt) hechten bijzin, voorwaardelijk
zouden aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanhechten bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangehecht hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangehecht zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanhechten bijzin, voorwaardelijk
zullen aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangehecht zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangehecht zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangehecht zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aanhechten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanhechten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanhechten bijzin, toekomende tijd
zult aangehecht hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult aangehecht worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van aan vz en hechten ww

Woordfamilie van aanhechten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aangehecht voltooid deelwoord aanhechten
aangehechte woordvorm aanhechten
aanhecht subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanhechten
aanhechte with-subordinate-clause aanhechten
aanhechtend onvoltooid deelwoord aanhechten
aanhechtende woordvorm aanhechten
aanhechtte subordinate-clause, verleden tijd aanhechten
aanhechtten subordinate-clause, verleden tijd aanhechten
hecht aan gebiedende wijs aanhechten
hechte aan woordvorm aanhechten
hechten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanhechten
hechtte aan verleden tijd aanhechten
hechtten aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanhechten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhechten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over aanhechten

Hoe spreek ik aanhechten uit?
Zo spreek je aanhechten uit: /ˈanhɛxtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanhechten?
Aanhechten is een werkwoord. De betekenis is: vastmaken. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik aanhechten?
Zo vervoeg je aanhechten zo: het voltooid deelwoord is aangehecht. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanhechten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanhechten levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. H 4
  5. E 1
  6. C 5
  7. H 4
  8. T 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanhechten in het kort

aanhechten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van aanhechten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanhechten bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanhechten: vastmaken
Deel aanhechten — standaardnederlands.nl