aanhebben
werkwoord ˈanhɛbə(n)Betekenis
- een kledingstuk of sieraad dragen
Hoe spreek je aanhebben uit?
/ˈanhɛbən/
Aanhebben bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| h | hoed |
| ɛ | bed |
| b | bak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aanhebben
aanhebbenhele werkwoord — had aanverleden tijd enkelvoud — hadden aanverleden tijd meervoud — aangehadvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | heb aan | had aan |
| jij | hebt aan | had aan |
| hij, zij, het | heeft aan | had aan |
| wij | hebben aan | hadden aan |
| jullie | hebben aan | hadden aan |
| zij | hebben aan | hadden aan |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aan te hebben | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen hebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen hebben | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult hebben | bijzin, toekomende tijd |
| aangehad | verleden tijd, deelwoord |
| aangehad te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangehad zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aanhad | bijzin, verleden tijd |
| aanhadden | bijzin, verleden tijd |
| aanhadt | bijzin, verleden tijd |
| aanheb | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanhebbend | onvoltooid, deelwoord |
| aanhebt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanheeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aan | verleden tijd |
| had aangehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangehad | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangehad | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangehad | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aan | gebiedende wijs |
| heb aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangehad | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangehad | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zou aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) aanhebben aan zou(dt) hebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangehad hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanhebben | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aanhebben | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult aangehad hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult aanhebben | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult aanhebben | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal aanhebben aan zult/zal hebben | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van aan vz en hebben ww
Woordfamilie van aanhebben
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aangehad | voltooid deelwoord | aanhebben |
| aanhad | subordinate-clause, verleden tijd | aanhebben |
| aanhadden | subordinate-clause, verleden tijd | aanhebben |
| aanheb | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanhebben |
| aanhebbe | with-subordinate-clause | aanhebben |
| aanhebbend | onvoltooid deelwoord | aanhebben |
| aanhebbende | woordvorm | aanhebben |
| had aan | verleden tijd | aanhebben |
| hadden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanhebben |
| hadt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanhebben |
| heb aan | gebiedende wijs | aanhebben |
| hebbe aan | woordvorm | aanhebben |
| hebben aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanhebben |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanhebben zijn vastgelegd.