aandurven
werkwoord ˈandʏrvə(n)Betekenis
- de moed hebben om te beginnen met, durven te doen
Hoe spreek je aandurven uit?
/ˈandʏrvən/
Aandurven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| d | dak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van aandurven
aandurvenhele werkwoord — durfde aanverleden tijd enkelvoud — durfden aanverleden tijd meervoud — aangedurfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | durf aan | durfde aan |
| jij | durft aan | durfde aan |
| hij, zij, het | durft aan | durfde aan |
| wij | durven aan | durfden aan |
| jullie | durven aan | durfden aan |
| zij | durven aan | durfden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te durven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen durven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal durven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou durven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden durven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt durven | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen durven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen durven | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult durven | bijzin, toekomende tijd |
| aandurf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aandurfde | bijzin, verleden tijd |
| aandurfden | bijzin, verleden tijd |
| aandurft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aandurvend | onvoltooid, deelwoord |
| aangedurfd | verleden tijd, deelwoord |
| aangedurfd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangedurfd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangedurfd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedurfd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedurfd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangedurfd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangedurfd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangedurfd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangedurfd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangedurfd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| durf aan | gebiedende wijs |
| durfde aan | verleden tijd |
| er is aangedurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangedurfd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangedurfd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangedurfd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangedurfd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangedurfd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangedurfd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangedurfd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangedurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aandurven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangedurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangedurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangedurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangedurfd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aandurven | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangedurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aandurven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aandurven aan zou(dt) durven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aandurven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aandurven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangedurfd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangedurfd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aandurven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aandurven | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangedurfd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangedurfd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangedurfd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aandurven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en durven ww
Woordfamilie van aandurven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aandurf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandurven |
| aandurfde | subordinate-clause, verleden tijd | aandurven |
| aandurfden | subordinate-clause, verleden tijd | aandurven |
| aandurft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aandurven |
| aandurve | with-subordinate-clause | aandurven |
| aandurvend | onvoltooid deelwoord | aandurven |
| aandurvende | woordvorm | aandurven |
| aangedurfd | voltooid deelwoord | aandurven |
| aangedurfde | woordvorm | aandurven |
| durf aan | gebiedende wijs | aandurven |
| durfde aan | verleden tijd | aandurven |
| durfden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aandurven |
| durft aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aandurven |
| durve aan | woordvorm | aandurven |
| durven aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aandurven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aandurven zijn vastgelegd.