aanduiden
werkwoord ˈandœydə(n)Betekenis
- aanwijzen, aantonen, duidelijk maken, tonen, bewijzen
- benoemen
Hoe spreek je aanduiden uit?
/ˈandœydən/
Aanduiden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| n | nek |
| d | dak |
| œy | huis |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als aanduidden.
werkwoord
- betekenen, verwijzen naar transitive
Vervoeging van aanduiden
aanduidenhele werkwoord — duidde aanverleden tijd enkelvoud — duidden aanverleden tijd meervoud — aangeduidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | duid aan | duidde aan |
| jij | duidt aan | duidde aan |
| hij, zij, het | duidt aan | duidde aan |
| wij | duiden aan | duidden aan |
| jullie | duiden aan | duidden aan |
| zij | duiden aan | duidden aan |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| aan te duiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aan te zullen duiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aan zal duiden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zou duiden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zouden duiden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zoudt duiden | bijzin, voorwaardelijk |
| aan zullen duiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aan zullen duiden | bijzin, toekomende tijd |
| aan zult duiden | bijzin, toekomende tijd |
| aanduid | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aanduidde | bijzin, verleden tijd |
| aanduidden | bijzin, verleden tijd |
| aanduidend | onvoltooid, deelwoord |
| aanduidt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| aangeduid | verleden tijd, deelwoord |
| aangeduid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeduid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| aangeduid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeduid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeduid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| aangeduid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeduid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| aangeduid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeduid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| aangeduid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| ben aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| duid aan | gebiedende wijs |
| duidde aan | verleden tijd |
| er is aangeduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was aangeduid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd aangeduid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt aangeduid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal aangeduid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal aangeduid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou aangeduid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou aangeduid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had aangeduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had aangeduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden aangeduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden aangeduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben aangeduid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen aanduiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren aangeduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was aangeduid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was aangeduid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was aangeduid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt aangeduid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal aanduiden | bijzin, toekomende tijd |
| zal aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal aangeduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal aangeduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt aangeduid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou aanduiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) aanduiden aan zou(dt) duiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden aanduiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt aanduiden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt aangeduid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt aangeduid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen aanduiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen aanduiden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeduid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen aangeduid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen aangeduid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen aangeduid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen aangeduid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult aanduiden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van aan vz en duiden ww
Woordfamilie van aanduiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanduid | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanduiden |
| aanduidde | subordinate-clause, verleden tijd | aanduiden |
| aanduidden | subordinate-clause, verleden tijd | aanduiden |
| aanduide | with-subordinate-clause | aanduiden |
| aanduidend | onvoltooid deelwoord | aanduiden |
| aanduidende | woordvorm | aanduiden |
| aanduidt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | aanduiden |
| duid aan | gebiedende wijs | aanduiden |
| duidde aan | verleden tijd | aanduiden |
| duidden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | aanduiden |
| duide aan | woordvorm | aanduiden |
| duiden aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | aanduiden |
| duidt aan | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | aanduiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanduiden zijn vastgelegd.