Naar de inhoud

aanbouwen

ergens iets tegenaan bouwen

aanbouwen is meer dan één woord

aanbouwen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈambɑuwə(n)

Betekenis

  1. ergens iets tegenaan bouwen

Hoe spreek je aanbouwen uit?

/ˈambɑuwən/

Aanbouwen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈambɑuwən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
a maan
m maan
b bak
ɑu koud
w quiz
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van aanbouwen

aanbouwenhele werkwoord — bouwde aanverleden tijd enkelvoud — bouwden aanverleden tijd meervoud — aangebouwdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik bouw aan bouwde aan
jij bouwt aan bouwde aan
hij, zij, het bouwt aan bouwde aan
wij bouwen aan bouwden aan
jullie bouwen aan bouwden aan
zij bouwen aan bouwden aan
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
aan te bouwen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aan te zullen bouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aan zal bouwen bijzin, toekomende tijd
aan zou bouwen bijzin, voorwaardelijk
aan zouden bouwen bijzin, voorwaardelijk
aan zoudt bouwen bijzin, voorwaardelijk
aan zullen bouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aan zullen bouwen bijzin, toekomende tijd
aan zult bouwen bijzin, toekomende tijd
aanbouw bijzin, tegenwoordige tijd
aanbouwde bijzin, verleden tijd
aanbouwden bijzin, verleden tijd
aanbouwend onvoltooid, deelwoord
aanbouwt bijzin, tegenwoordige tijd
aangebouwd verleden tijd, deelwoord
aangebouwd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangebouwd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
aangebouwd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebouwd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebouwd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
aangebouwd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangebouwd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
aangebouwd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangebouwd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
aangebouwd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
ben aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bouw aan gebiedende wijs
bouwde aan verleden tijd
er is aangebouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was aangebouwd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd aangebouwd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt aangebouwd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal aangebouwd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal aangebouwd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou aangebouwd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou aangebouwd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had aangebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had aangebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden aangebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden aangebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangebouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben aangebouwd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen aanbouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren aangebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was aangebouwd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was aangebouwd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was aangebouwd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt aangebouwd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal aanbouwen bijzin, toekomende tijd
zal aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal aangebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal aangebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt aangebouwd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou aanbouwen bijzin, voorwaardelijk
zou aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) aanbouwen aan zou(dt) bouwen bijzin, voorwaardelijk
zouden aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden aanbouwen bijzin, voorwaardelijk
zouden aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt aanbouwen bijzin, voorwaardelijk
zoudt aangebouwd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt aangebouwd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen aanbouwen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen aanbouwen bijzin, toekomende tijd
zullen aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangebouwd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen aangebouwd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen aangebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen aangebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen aangebouwd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult aanbouwen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord aanbouw

Herkomst

samenstelling van aan vz en bouwen ww

Woordfamilie van aanbouwen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
aanbouwde subordinate-clause, verleden tijd aanbouwen
aanbouwden subordinate-clause, verleden tijd aanbouwen
aanbouwe with-subordinate-clause aanbouwen
aanbouwend onvoltooid deelwoord aanbouwen
aanbouwende woordvorm aanbouwen
aanbouwt subordinate-clause, tegenwoordige tijd aanbouwen
aangebouwd voltooid deelwoord aanbouwen
aangebouwde woordvorm aanbouwen
bouw aan gebiedende wijs aanbouwen
bouwde aan verleden tijd aanbouwen
bouwden aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon aanbouwen
bouwe aan woordvorm aanbouwen
bouwen aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon aanbouwen
bouwt aan aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon aanbouwen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbouwen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over aanbouwen

Hoe spreek ik aanbouwen uit?
Zo spreek je aanbouwen uit: /ˈambɑuwə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van aanbouwen?
Aanbouwen is een werkwoord. De betekenis is: ergens iets tegenaan bouwen.
Hoe vervoeg ik aanbouwen?
Zo vervoeg je aanbouwen zo: het voltooid deelwoord is aangebouwd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord aanbouwen is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 3
  5. O 1
  6. U 4
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

aanbouwen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. A 1
  2. A 1
  3. N 1
  4. B 4
  5. O 1
  6. U 2
  7. W 5
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

aanbouwen in het kort

aanbouwen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van aanbouwen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort aanbouwen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

aanbouwen: ergens iets tegenaan bouwen
Deel aanbouwen — standaardnederlands.nl