aanbouw
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈambɑuBetekenis
- het bouwen van iets aan een ander gebouw
- het aangebouwde
Hoe spreek je aanbouw uit?
/ˈambɑu/
Aanbouw bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| a | maan |
| m | maan |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| aanbouwen | meervoud |
| aanbouwtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| aanbouwtjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanbouwen
Vervoeging van aanbouw
aanbouwhele werkwoord
Herkomst
Naamwoord van handeling aanbouwen ww , vergelijk Duits Anbau
Woordfamilie van aanbouw
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| aanbouwtje | verkleinwoord | aanbouw |
| aanbouwtjes | verkleinwoord meervoud | aanbouw |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van aanbouw zijn vastgelegd.