zweem
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- spoor.
zelfstandig naamwoord — masculine
- spoor
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zweempje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zweempjes | verkleinwoord, meervoud |
| zwemen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
- gebiedende wijs van zwemen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zwemen
Vervoeging van zweem
zweemhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vleugje’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1773
Woordfamilie van zweem
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zweempje | verkleinwoord | zweem |
| zweempjes | verkleinwoord meervoud | zweem |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zweem zijn vastgelegd.