zwartwerken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- betaald werk verrichten zonder daar belasting of sociale premie over te betalen, of betaald werken bij een uitkering
Vervoeging van zwartwerken
zwartwerkenhele werkwoord — werkte zwartverleden tijd enkelvoud — werkten zwartverleden tijd meervoud — zwartgewerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werk zwart | werkte zwart |
| jij | werkt zwart | werkte zwart |
| hij, zij, het | werkt zwart | werkte zwart |
| wij | werken zwart | werkten zwart |
| jullie | werken zwart | werkten zwart |
| zij | werken zwart | werkten zwart |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt zwartgewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben zwartgewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft zwartgewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben zwartgewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwartwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| werk zwart | gebiedende wijs |
| werkte zwart | verleden tijd |
| zal zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zwartwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zou zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou zwartwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) zwartwerken zwart zou(dt) werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden zwartwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt zwartgewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt zwartwerken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwartwerken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zwartwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult zwartgewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwartwerken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zwartwerken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal zwartwerken zwart zult/zal werken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart te werken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zwart te zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwart zal werken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart zou werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zouden werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zoudt werken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zwart zullen werken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart zult werken | bijzin, toekomende tijd |
| zwartgewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| zwartgewerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwartgewerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zwartwerk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zwartwerkend | onvoltooid, deelwoord |
| zwartwerkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zwartwerkte | bijzin, verleden tijd |
| zwartwerkten | bijzin, verleden tijd |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord zwartwerk
Herkomst
samenstelling van zwart en werken
Woordfamilie van zwartwerken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| werk zwart | gebiedende wijs | zwartwerken |
| werke zwart | woordvorm | zwartwerken |
| werken zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | zwartwerken |
| werkt zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwartwerken |
| werkte zwart | verleden tijd | zwartwerken |
| werkten zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwartwerken |
| zwartgewerkt | voltooid deelwoord | zwartwerken |
| zwartwerk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | zwartwerken |
| zwartwerke | with-subordinate-clause | zwartwerken |
| zwartwerkend | onvoltooid deelwoord | zwartwerken |
| zwartwerkende | woordvorm | zwartwerken |
| zwartwerkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | zwartwerken |
| zwartwerkte | subordinate-clause, verleden tijd | zwartwerken |
| zwartwerkten | subordinate-clause, verleden tijd | zwartwerken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwartwerken zijn vastgelegd.