zwartmaken
werkwoordBetekenis
- iemand van laakbare daden beschuldigen
werkwoord
- met verf een zwarte kleur geven
Vervoeging van zwartmaken
zwartmakenhele werkwoord — maakte zwartverleden tijd enkelvoud — maakten zwartverleden tijd meervoud — zwartgemaaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | maak zwart | maakte zwart |
| jij | maakt zwart | maakte zwart |
| hij, zij, het | maakt zwart | maakte zwart |
| wij | maken zwart | maakten zwart |
| jullie | maken zwart | maakten zwart |
| zij | maken zwart | maakten zwart |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is zwartgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was zwartgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd zwartgemaakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt zwartgemaakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal zwartgemaakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal zwartgemaakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou zwartgemaakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou zwartgemaakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben zwartgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| maak zwart | gebiedende wijs |
| maakte zwart | verleden tijd |
| te hebben zwartgemaakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zwartmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was zwartgemaakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt zwartgemaakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zwartmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt zwartgemaakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou zwartmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) zwartmaken zwart zou(dt) maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden zwartmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt zwartgemaakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwartgemaakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt zwartmaken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zwartmaken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen zwartmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult zwartgemaakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwartgemaakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwartgemaakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zwartmaken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult zwartmaken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal zwartmaken zwart zult/zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart te maken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zwart te zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwart zal maken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart zou maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zouden maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zoudt maken | bijzin, voorwaardelijk |
| zwart zullen maken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zwart zullen maken | bijzin, toekomende tijd |
| zwart zult maken | bijzin, toekomende tijd |
| zwartgemaakt | verleden tijd, deelwoord |
| zwartgemaakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zwartgemaakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| zwartgemaakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwartgemaakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwartgemaakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zwartgemaakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zwartgemaakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zwartgemaakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zwartgemaakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zwartgemaakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
Herkomst
samenstelling van zwart en maken
Woordfamilie van zwartmaken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| maak zwart | gebiedende wijs | zwartmaken |
| maakt zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zwartmaken |
| maakte zwart | verleden tijd | zwartmaken |
| maakten zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zwartmaken |
| make zwart | woordvorm | zwartmaken |
| maken zwart | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | zwartmaken |
| zwartgemaakt | voltooid deelwoord | zwartmaken |
| zwartgemaakte | woordvorm | zwartmaken |
| zwartmaak | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | zwartmaken |
| zwartmaakt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | zwartmaken |
| zwartmaakte | subordinate-clause, verleden tijd | zwartmaken |
| zwartmaakten | subordinate-clause, verleden tijd | zwartmaken |
| zwartmake | with-subordinate-clause | zwartmaken |
| zwartmakend | onvoltooid deelwoord | zwartmaken |
| zwartmakende | woordvorm | zwartmaken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwartmaken zijn vastgelegd.