zwakkeling
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand met een zwakke wil
- iemand die fysiek zwak dan wel weinig imposant is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwakkelingen | meervoud |
| zwakkelingetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwakkelingetjes | verkleinwoord, meervoud |
| zwakkelinkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zwakkelinkjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van zwak met het achtervoegsel -ling met het invoegsel -e-
Woordfamilie van zwakkeling
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwakkelingen | meervoud | zwakkeling |
| zwakkelingetje | verkleinwoord | zwakkeling |
| zwakkelingetjes | verkleinwoord meervoud | zwakkeling |
| zwakkelinkje | verkleinwoord | zwakkeling |
| zwakkelinkjes | verkleinwoord meervoud | zwakkeling |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwakkeling zijn vastgelegd.