zwakkelijk
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- zwak zijn, niet sterk zijn
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zwakkelijke | verbogen, stellende trap |
| zwakkelijker | onverbogen, vergrotende trap |
| zwakkelijkere | verbogen, vergrotende trap |
| zwakkelijkers | partitief, vergrotende trap |
| zwakkelijks | partitief, stellende trap |
| zwakkelijkst | onverbogen, overtreffende trap |
| zwakkelijkste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
afleiding van zwak met het achtervoegsel -lijk
Woordfamilie van zwakkelijk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwakkelijke | verbogen vorm | zwakkelijk |
| zwakkelijker | vergrotende trap | zwakkelijk |
| zwakkelijkere | verbogen vergrotende trap | zwakkelijk |
| zwakkelijkers | partitieve vergrotende trap | zwakkelijk |
| zwakkelijks | partitive, positive | zwakkelijk |
| zwakkelijkst | uninflected, superlative | zwakkelijk |
| zwakkelijkste | inflected, superlative | zwakkelijk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwakkelijk zijn vastgelegd.