zuster
zelfstandig naamwoord ˈzʏstərBetekenis
- vrouwelijk kind van dezelfde ouders, zus
- verpleegster in een ziekenhuis
- non, kloosterlinge
- zus; vrouwelijk kind van dezelfde ouders
- breur
- zus
- broeder
- pater
Hoe spreek je zuster uit?
/ˈzʏstər/
Zuster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ʏ | put |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord
- vrouw die tot hetzelfde kerkgenootschap behoort
- vrouwelijke kameraad in een politieke strijd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zusters | meervoud |
| zustertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zustertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘vrouwelijk kind m.b.t. kinderen van dezelfde ouders’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1100
Woordfamilie van zuster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zusters | meervoud | zuster |
| zustertje | verkleinwoord | zuster |
| zustertjes | verkleinwoord meervoud | zuster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zuster zijn vastgelegd.