cluster
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈklʏstərBetekenis
- compacte groep van gelijksoortige objecten, verschijnselen, klanken etc.
- een dissonant akkoord van meerdere opeenvolgende tonen
- een groep sterrenstelsels
- cluster
Hoe spreek je cluster uit?
/ˈklʏstər/
Cluster bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| l | land |
| ʏ | put |
| s | sok |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| clusters | meervoud |
| clustertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| clustertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van clusteren
- gebiedende wijs van clusteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van clusteren
Vervoeging van cluster
clusterhele werkwoord
Herkomst
van Engels cluster, in de betekenis van ‘tros, groep’ voor het eerst aangetroffen in 1963
Woordfamilie van cluster
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| clusters | meervoud | cluster |
| clustertje | verkleinwoord | cluster |
| clustertjes | verkleinwoord meervoud | cluster |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van cluster zijn vastgelegd.