zoeven
werkwoordBetekenis
- hoorbaar snel zich ergens heenbewegen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van zoeven
zoevenhele werkwoord — zoefdeverleden tijd enkelvoud — zoefdenverleden tijd meervoud — gezoefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zoef | zoefde |
| jij | zoeft | zoefde |
| hij, zij, het | zoeft | zoefde |
| wij | zoeven | zoefden |
| jullie | zoeven | zoefden |
| zij | zoeven | zoefden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezoefd | verleden tijd, deelwoord |
| gezoefd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezoefd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezoefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezoefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezoefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezoefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezoefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezoefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezoefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zoeven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zoeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zoef | gebiedende wijs |
| zoefde | verleden tijd |
| zoeve | aanvoegende wijs |
| zoevend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezoefd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zoeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezoefd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zoeven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voortgonzen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1855
Woordfamilie van zoeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezoefd | voltooid deelwoord | zoeven |
| gezoefde | woordvorm | zoeven |
| zoefde | verleden tijd | zoeven |
| zoefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zoeven |
| zoeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zoeven |
| zoeve | aanvoegende wijs | zoeven |
| zoevend | onvoltooid deelwoord | zoeven |
| zoevende | woordvorm | zoeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoeven zijn vastgelegd.