zoetelaar
zelfstandig naamwoordBetekenis
- iemand die levensmiddelen aan de soldaten van een leger levert
- een varende detailhandelaar
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zoetelaars | meervoud |
| zoetelaartje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zoetelaartjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Nederduits, in de betekenis van ‘marketenter’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van zoetelaar
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zoetelaars | meervoud | zoetelaar |
| zoetelaartje | verkleinwoord | zoetelaar |
| zoetelaartjes | verkleinwoord meervoud | zoetelaar |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zoetelaar zijn vastgelegd.