Naar de inhoud

zippen

een bestand comprimeren

zippen

werkwoord

Betekenis

  1. een bestand comprimeren

Vervoeging van zippen

zippenhele werkwoord — zipteverleden tijd enkelvoud — ziptenverleden tijd meervoud — geziptvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zip zipte
jij zipt zipte
hij, zij, het zipt zipte
wij zippen zipten
jullie zippen zipten
zij zippen zipten
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
er is gezipt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezipt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gezipt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gezipt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezipt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezipt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gezipt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezipt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezipt verleden tijd, deelwoord
gezipt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezipt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezipt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezipt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezipt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezipt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezipt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezipt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezipt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezipt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gezipt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gezipt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gezipt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gezipt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gezipt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gezipt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gezipt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezipt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gezipt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zippen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zippen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waren gezipt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezipt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezipt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werden gezipt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
worden gezipt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezipt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
zal gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gezipt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezipt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gezipt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zip gebiedende wijs
zippe aanvoegende wijs
zippend onvoltooid, deelwoord
zipte verleden tijd
zou gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gezipt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezipt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezipt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezipt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezipt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zippen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezipt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezipt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zippen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezipt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zippen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van zippen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezipt voltooid deelwoord zippen
gezipte woordvorm zippen
zip gebiedende wijs zippen
zippe aanvoegende wijs zippen
zippend onvoltooid deelwoord zippen
zippende woordvorm zippen
zipt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zippen
zipte verleden tijd zippen
zipten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zippen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zippen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zippen

Wat is de betekenis van zippen?
Zippen is een werkwoord. De betekenis is: een bestand comprimeren.
Hoe vervoeg ik zippen?
Zo vervoeg je zippen zo: de tegenwoordige tijd is zip, de verleden tijd is zipte en het voltooid deelwoord is gezipt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zippen is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. I 1
  3. P 3
  4. P 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zippen levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. I 2
  3. P 4
  4. P 4
  5. E 1
  6. N 1
  7. 17 zonder bonus
  8. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zippen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

zippen in het kort

zippen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van zippen staan er 65 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zippen bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zippen: een bestand comprimeren
Deel zippen — standaardnederlands.nl