zinderen
werkwoordBetekenis
- trillingen in de lucht vertonen van de warmte
- overdrachtelijk heftig in beroering of spanning zijn
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van zinderen
zinderenhele werkwoord — zinderdeverleden tijd enkelvoud — zinderdenverleden tijd meervoud — gezinderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zinder | zinderde |
| jij | zindert | zinderde |
| hij, zij, het | zindert | zinderde |
| wij | zinderen | zinderden |
| jullie | zinderen | zinderden |
| zij | zinderen | zinderden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezinderd | verleden tijd, deelwoord |
| gezinderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezinderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezinderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezinderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezinderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezinderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezinderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zinderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zinder | gebiedende wijs |
| zinderde | verleden tijd |
| zindere | aanvoegende wijs |
| zinderend | onvoltooid, deelwoord |
| zou gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezinderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zinderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezinderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zinderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘gloeiend trillen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1511
Woordfamilie van zinderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezinderd | voltooid deelwoord | zinderen |
| zinder | gebiedende wijs | zinderen |
| zinderde | verleden tijd | zinderen |
| zinderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zinderen |
| zindere | aanvoegende wijs | zinderen |
| zindert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zinderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zinderen zijn vastgelegd.