Naar de inhoud

zigzaggen

een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat

zigzaggen

werkwoord

Betekenis

  1. een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat
  2. met een zigzaglijn zich ergens naartoe bewegen
  3. iets naaien met een zigzagsteek

Vervoeging van zigzaggen

zigzaggenhele werkwoord — zigzagdeverleden tijd enkelvoud — zigzagdenverleden tijd meervoud — gezigzagdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zigzag zigzagde
jij zigzagt zigzagde
hij, zij, het zigzagt zigzagde
wij zigzaggen zigzagden
jullie zigzaggen zigzagden
zij zigzaggen zigzagden
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gezigzagd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er is gezigzagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gezigzagd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was gezigzagd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd gezigzagd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd gezigzagd impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gezigzagd impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt gezigzagd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gezigzagd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gezigzagd worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal gezigzagd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal gezigzagd zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou gezigzagd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gezigzagd worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou gezigzagd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou gezigzagd zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
gezigzagd verleden tijd, deelwoord
gezigzagd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezigzagd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gezigzagd te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezigzagd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezigzagd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gezigzagd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezigzagd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gezigzagd zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezigzagd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gezigzagd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
hebben gezigzagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben/zijn gezigzagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zigzaggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zigzaggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart gezigzagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezigzagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gezigzagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gezigzagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gezigzagd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gezigzagd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gezigzagd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gezigzagd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zigzag gebiedende wijs
zigzagde verleden tijd
zigzagge aanvoegende wijs
zigzaggend onvoltooid, deelwoord
zijn gezigzagd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gezigzagd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gezigzagd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zigzaggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gezigzagd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gezigzagd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zigzaggen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van zigzaggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gezigzagd voltooid deelwoord zigzaggen
gezigzagde woordvorm zigzaggen
zigzagde verleden tijd zigzaggen
zigzagden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zigzaggen
zigzagge aanvoegende wijs zigzaggen
zigzagt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zigzaggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zigzaggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zigzaggen

Wat is de betekenis van zigzaggen?
Zigzaggen is een werkwoord. De betekenis is: een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik zigzaggen?
Zo vervoeg je zigzaggen zo: de tegenwoordige tijd is zigzag, de verleden tijd is zigzagde en het voltooid deelwoord is gezigzagd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zigzaggen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. I 1
  3. G 3
  4. Z 4
  5. A 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zigzaggen levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. I 2
  3. G 3
  4. Z 5
  5. A 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 24 zonder bonus
  11. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zigzaggen in het kort

zigzaggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van zigzaggen staan er 63 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort zigzaggen bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

zigzaggen: een koers volgen die dan weer de ene kant dan weer de andere kant heengaat
Deel zigzaggen — standaardnederlands.nl