zigzag
zelfstandig naamwoord, bijwoord, werkwoord ˈzɪxsɑxBetekenis
- een beweging of lijn die plotseling één of meer scherpe koersveranderingen ondergaat
- met scherpe koersveranderingen
Hoe spreek je zigzag uit?
/ˈzɪxsɑx/
Zigzag bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɪ | pit |
| x | acht |
| s | sok |
| ɑ | bad |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zigzags | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
- gebiedende wijs van zigzaggen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zigzaggen
Vervoeging van zigzag
zigzaghele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘lijn met scherpe hoeken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1767
Woordfamilie van zigzag
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zigzags | meervoud | zigzag |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zigzag zijn vastgelegd.