ziegezagen
werkwoordBetekenis
- lallen, tot vervelens toe lelijk zingen
Vervoeging van ziegezagen
ziegezagenhele werkwoord — ziegezaagdeverleden tijd enkelvoud — ziegezaagdenverleden tijd meervoud — geziegezaagdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ziegezaag | ziegezaagde |
| jij | ziegezaagt | ziegezaagde |
| hij, zij, het | ziegezaagt | ziegezaagde |
| wij | ziegezagen | ziegezaagden |
| jullie | ziegezagen | ziegezaagden |
| zij | ziegezagen | ziegezaagden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geziegezaagd | verleden tijd, deelwoord |
| geziegezaagd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geziegezaagd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geziegezaagd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geziegezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geziegezaagd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geziegezaagd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te ziegezagen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen ziegezagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| ziegezaag | gebiedende wijs |
| ziegezaagde | verleden tijd |
| ziegezage | aanvoegende wijs |
| ziegezagend | onvoltooid, deelwoord |
| zou geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geziegezaagd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen ziegezagen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geziegezaagd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult ziegezagen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘zeuren’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1870
Woordfamilie van ziegezagen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geziegezaagd | voltooid deelwoord | ziegezagen |
| ziegezaag | gebiedende wijs | ziegezagen |
| ziegezaagde | verleden tijd | ziegezagen |
| ziegezaagden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | ziegezagen |
| ziegezaagt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | ziegezagen |
| ziegezage | aanvoegende wijs | ziegezagen |
| ziegezagend | onvoltooid deelwoord | ziegezagen |
| ziegezagende | woordvorm | ziegezagen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ziegezagen zijn vastgelegd.