zeulen
werkwoordBetekenis
- ~ met: met inzet van grote inspanning iets dragend rondlopen
- iets met grote inspanning verplaatsen
Vervoeging van zeulen
zeulenhele werkwoord — zeuldeverleden tijd enkelvoud — zeuldenverleden tijd meervoud — gezeuldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zeul | zeulde |
| jij | zeult | zeulde |
| hij, zij, het | zeult | zeulde |
| wij | zeulen | zeulden |
| jullie | zeulen | zeulden |
| zij | zeulen | zeulden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gezeuld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gezeuld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gezeuld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gezeuld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gezeuld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gezeuld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gezeuld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gezeuld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gezeuld | verleden tijd, deelwoord |
| gezeuld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezeuld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gezeuld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeuld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeuld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezeuld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezeuld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gezeuld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezeuld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gezeuld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezeuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezeuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezeuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezeuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezeuld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zeulen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zeulen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezeuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gezeuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gezeuld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gezeuld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gezeuld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gezeuld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zeul | gebiedende wijs |
| zeulde | verleden tijd |
| zeule | aanvoegende wijs |
| zeulend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gezeuld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezeuld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gezeuld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zeulen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezeuld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezeuld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gezeuld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zeulen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voortslepen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1667
Woordfamilie van zeulen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezeuld | voltooid deelwoord | zeulen |
| gezeulde | woordvorm | zeulen |
| zeul | gebiedende wijs | zeulen |
| zeulde | verleden tijd | zeulen |
| zeulden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zeulen |
| zeule | aanvoegende wijs | zeulen |
| zeulend | onvoltooid deelwoord | zeulen |
| zeulende | woordvorm | zeulen |
| zeult | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zeulen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zeulen zijn vastgelegd.