zegepraal
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- triomf
- overwinning
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| zegepraaltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| zegepraaltjes | verkleinwoord, meervoud |
| zegepralen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
- gebiedende wijs van zegepralen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zegepralen
Vervoeging van zegepraal
zegepraalhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van zege en praal
Woordfamilie van zegepraal
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zegepraaltje | verkleinwoord | zegepraal |
| zegepraaltjes | verkleinwoord meervoud | zegepraal |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zegepraal zijn vastgelegd.