zappen
werkwoord /zɛpən/Betekenis
- met de afstandsbediening alsmaar naar andere tv-kanalen schakelen
Hoe spreek je zappen uit?
/zɛpən/
Zappen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| ɛ | bed |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van zappen
zappenhele werkwoord — zapteverleden tijd enkelvoud — zaptenverleden tijd meervoud — gezaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zap | zapte |
| jij | zapt | zapte |
| hij, zij, het | zapt | zapte |
| wij | zappen | zapten |
| jullie | zappen | zapten |
| zij | zappen | zapten |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gezapt | verleden tijd, deelwoord |
| gezapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gezapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gezapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gezapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gezapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gezapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gezapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gezapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gezapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gezapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gezapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen zappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zap | gebiedende wijs |
| zappe | aanvoegende wijs |
| zappend | onvoltooid, deelwoord |
| zapte | verleden tijd |
| zou gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gezapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt zappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gezapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘voortdurend naar een ander televisieprogramma overschakelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1989
Woordfamilie van zappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gezapt | voltooid deelwoord | zappen |
| zap | gebiedende wijs | zappen |
| zappe | aanvoegende wijs | zappen |
| zappend | onvoltooid deelwoord | zappen |
| zappende | woordvorm | zappen |
| zapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | zappen |
| zapte | verleden tijd | zappen |
| zapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | zappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zappen zijn vastgelegd.