Naar de inhoud

zakendoen

commerciële activiteiten ontplooien

zakendoen

werkwoord

Betekenis

  1. commerciële activiteiten ontplooien
  2. tweede betekenisomschrijving.
  3. enz.

Vervoeging van zakendoen

zakendoenhele werkwoord — deed zakenverleden tijd enkelvoud — deden zakenverleden tijd meervoud — zakengedaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik doe zaken deed zaken
jij doet zaken deed zaken
hij, zij, het doet zaken deed zaken
wij doen zaken deden zaken
jullie doen zaken deden zaken
zij doen zaken deden zaken
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
deed zaken verleden tijd
doe zaken gebiedende wijs
ev. gebiedende wijs
had zakengedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had zakengedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had zakengedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden zakengedaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden zakengedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden zakengedaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt zakengedaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben zakengedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft zakengedaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben zakengedaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen zakendoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zaken te doen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
zaken te zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zaken zal doen bijzin, toekomende tijd
zaken zou doen bijzin, voorwaardelijk
zaken zouden doen bijzin, voorwaardelijk
zaken zoudt doen bijzin, voorwaardelijk
zaken zullen doen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zaken zullen doen bijzin, toekomende tijd
zaken zult doen bijzin, toekomende tijd
zakendeden bijzin, verleden tijd
zakendeed bijzin, verleden tijd
zakendoe bijzin, tegenwoordige tijd
zakendoend onvoltooid, deelwoord
zakendoet bijzin, tegenwoordige tijd
zakengedaan verleden tijd, deelwoord
zakengedaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
zakengedaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zakendoen bijzin, toekomende tijd
zal zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou zakendoen bijzin, voorwaardelijk
zou zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) zakendoen zaken zou(dt) doen bijzin, voorwaardelijk
zouden zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden zakendoen bijzin, voorwaardelijk
zouden zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt zakendoen bijzin, voorwaardelijk
zoudt zakengedaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen zakendoen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen zakendoen bijzin, toekomende tijd
zullen zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult zakendoen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult zakendoen bijzin, toekomende tijd
zult zakengedaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal zakendoen zaken zult/zal doen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van zaak en doen met het invoegsel -en-

Woordfamilie van zakendoen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
deden zaken aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon zakendoen
deed zaken verleden tijd zakendoen
doe zaken gebiedende wijs zakendoen
doen zaken aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon zakendoen
doet zaken aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon zakendoen
zakendeden subordinate-clause, verleden tijd zakendoen
zakendeed subordinate-clause, verleden tijd zakendoen
zakendoe subordinate-clause, tegenwoordige tijd zakendoen
zakendoend onvoltooid deelwoord zakendoen
zakendoende woordvorm zakendoen
zakendoet subordinate-clause, tegenwoordige tijd zakendoen
zakengedaan voltooid deelwoord zakendoen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zakendoen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over zakendoen

Wat betekent zakendoen?
Zakendoen is een werkwoord. Het woord betekent: commerciële activiteiten ontplooien. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je zakendoen?
Je vervoegt zakendoen als volgt: het voltooid deelwoord is zakengedaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord zakendoen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. Z 4
  2. A 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

zakendoen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. Z 5
  2. A 1
  3. K 3
  4. E 1
  5. N 1
  6. D 2
  7. O 1
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

zakendoen in het kort

zakendoen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van zakendoen zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort zakendoen bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

zakendoen: commerciële activiteiten ontplooien
Deel zakendoen — standaardnederlands.nl