worden
werkwoord ˈwɔrdə(n)Betekenis
- vormt de lijdende vorm
- gaan zijn, zich ontwikkelen tot
- gaan kosten
- Verleden tijd is soms ook wierd.
Hoe spreek je worden uit?
/ˈwɔrdən/
Worden bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van worden
wordenhele werkwoord — werd/wierdverleden tijd enkelvoud — werden/wierdenverleden tijd meervoud — gewordenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | word | werd/wierd |
| jij | wordt | werd/wierd |
| hij, zij, het | wordt | werd/wierd |
| wij | worden | werden/wierden |
| jullie | worden | werden/wierden |
| zij | worden | werden/wierden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| geworden | verleden tijd, deelwoord |
| geworden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geworden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| is geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te worden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn geworden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen worden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geworden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geworden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geworden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geworden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geworden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geworden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geworden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd/ (verouderd) wierd | verleden tijd |
| word | gebiedende wijs |
| worde | aanvoegende wijs |
| wordend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn geworden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geworden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geworden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt worden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen worden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geworden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult worden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Te herleiden tot Protogermaans *werþan(an)-, Indo-Europees *werþ-. De oorspronkelijke betekenis was "draaien". In de niet-ruimtelijke betekenis van ‘in de genoemde toestand raken, hulpwerkwoord van de lijdende vorm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901.
Woordfamilie van worden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geworden | voltooid deelwoord | worden |
| werd | woordvorm | worden |
| werden | woordvorm | worden |
| werdt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | worden |
| wierd | woordvorm | worden |
| word | gebiedende wijs | worden |
| worde | aanvoegende wijs | worden |
| wordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | worden |
| gewerd | verleden tijd | geworden |
| gewerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | geworden |
| geword | gebiedende wijs | geworden |
| geworde | aanvoegende wijs | geworden |
| gewordend | onvoltooid deelwoord | geworden |
| gewordende | woordvorm | geworden |
| gewordt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | geworden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van worden zijn vastgelegd.