Naar de inhoud

wispelen

schudden, kwispelen

wispelen

werkwoord

Betekenis

  1. schudden, kwispelen
  2. lispelen

Vervoeging van wispelen

wispelenhele werkwoord — wispeldeverleden tijd enkelvoud — wispeldenverleden tijd meervoud — gewispeldvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wispel wispelde
jij wispelt wispelde
hij, zij, het wispelt wispelde
wij wispelen wispelden
jullie wispelen wispelden
zij wispelen wispelden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gewispeld verleden tijd, deelwoord
gewispeld te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewispeld zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gewispeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewispeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewispeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewispeld voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewispeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewispeld voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewispeld voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewispeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewispeld voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewispeld actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te wispelen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wispelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
wispel gebiedende wijs
wispelde verleden tijd
wispele aanvoegende wijs
wispelend onvoltooid, deelwoord
zal gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewispeld hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wispelen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wispelen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewispeld hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wispelen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van wispelen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewispeld voltooid deelwoord wispelen
wispel gebiedende wijs wispelen
wispelde verleden tijd wispelen
wispelden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wispelen
wispele aanvoegende wijs wispelen
wispelend onvoltooid deelwoord wispelen
wispelende woordvorm wispelen
wispelt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wispelen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wispelen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over wispelen

Wat is de betekenis van wispelen?
Wispelen is een werkwoord. De betekenis is: schudden, kwispelen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wispelen?
Zo vervoeg je wispelen zo: de tegenwoordige tijd is wispel, de verleden tijd is wispelde en het voltooid deelwoord is gewispeld. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wispelen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. I 1
  3. S 2
  4. P 3
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wispelen levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. I 2
  3. S 2
  4. P 4
  5. E 1
  6. L 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wispelen in het kort

wispelen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wispelen staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wispelen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wispelen: schudden, kwispelen
Deel wispelen — standaardnederlands.nl