windsurfen
werkwoord ˈwɪntsʏrfə(n)Betekenis
- een watersport waarbij men met een surfplank met daarop een zeil bevestigd gaat surfen op golven
Hoe spreek je windsurfen uit?
/ˈwɪntsʏrfən/
Windsurfen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɪ | pit |
| n | nek |
| t | tak |
| s | sok |
| ʏ | put |
| r | rood |
| f | fiets |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van windsurfen
windsurfenhele werkwoord — windsurfdeverleden tijd enkelvoud — windsurfdenverleden tijd meervoud — gewindsurfdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | windsurf | windsurfde |
| jij | windsurft | windsurfde |
| hij, zij, het | windsurft | windsurfde |
| wij | windsurfen | windsurfden |
| jullie | windsurfen | windsurfden |
| zij | windsurfen | windsurfden |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewindsurfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewindsurfd | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewindsurfd | verleden tijd, deelwoord |
| gewindsurft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewindsurft | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewindsurft | verleden tijd, deelwoord |
| gewindsurft | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| gewindsurft | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| gewindsurft | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| gewindsurft | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| gewindsurft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| gewindsurft | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| gewindsurft hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| gewindsurft te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewindsurft zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewindsurfd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewindsurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt/heeft gewindsurfd gewindsurft | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewindsurfd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewindsurfd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te windsurfen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen windsurfen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| windsurf | gebiedende wijs |
| windsurfde | verleden tijd |
| windsurfe | aanvoegende wijs |
| windsurfend | onvoltooid, deelwoord |
| windsurfte | verleden tijd |
| zal gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal/zult gewindsurfd gewindsurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zou gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou/zoudt gewindsurfd gewindsurft hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewindsurfd | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen windsurfen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewindsurfd | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult windsurfen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult/zal gewindsurfd gewindsurft hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van wind en surfen
Woordfamilie van windsurfen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewindsurfd | voltooid deelwoord | windsurfen |
| gewindsurft | voltooid deelwoord | windsurfen |
| windsurf | gebiedende wijs | windsurfen |
| windsurfde | verleden tijd | windsurfen |
| windsurfden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | windsurfen |
| windsurfe | aanvoegende wijs | windsurfen |
| windsurfend | onvoltooid deelwoord | windsurfen |
| windsurfende | woordvorm | windsurfen |
| windsurft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | windsurfen |
| windsurfte | verleden tijd | windsurfen |
| windsurften | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | windsurfen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van windsurfen zijn vastgelegd.