wichelen
werkwoordBetekenis
- voorspellingen proberen te doen uit bepaalde tekens (ingewanden van dieren, stand der sterren etc...)
Vervoeging van wichelen
wichelenhele werkwoord — wicheldeverleden tijd enkelvoud — wicheldenverleden tijd meervoud — gewicheldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wichel | wichelde |
| jij | wichelt | wichelde |
| hij, zij, het | wichelt | wichelde |
| wij | wichelen | wichelden |
| jullie | wichelen | wichelden |
| zij | wichelen | wichelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gewicheld | verleden tijd, deelwoord |
| gewicheld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewicheld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewicheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewicheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewicheld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewicheld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewicheld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewicheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewicheld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewicheld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wichelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wichelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wichel | gebiedende wijs |
| wichelde | verleden tijd |
| wichele | aanvoegende wijs |
| wichelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewicheld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wichelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewicheld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wichelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘voorspellingen doen uit bepaalde tekens’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Woordfamilie van wichelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewicheld | voltooid deelwoord | wichelen |
| wichel | gebiedende wijs | wichelen |
| wichelde | verleden tijd | wichelen |
| wichelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wichelen |
| wichele | aanvoegende wijs | wichelen |
| wichelend | onvoltooid deelwoord | wichelen |
| wichelende | woordvorm | wichelen |
| wichelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wichelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wichelen zijn vastgelegd.