wenen
werkwoordBetekenis
- traanvocht uitscheiden door emotie
Vervoeging van wenen
wenenhele werkwoord — weendeverleden tijd enkelvoud — weendenverleden tijd meervoud — geweendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ween | weende |
| jij | weent | weende |
| hij, zij, het | weent | weende |
| wij | wenen | weenden |
| jullie | wenen | weenden |
| zij | wenen | weenden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geweend | verleden tijd, deelwoord |
| geweend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geweend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geweend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geweend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geweend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geweend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geweend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geweend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geweend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geweend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben geweend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| ween | gebiedende wijs |
| weende | verleden tijd |
| wene | aanvoegende wijs |
| wenend | onvoltooid, deelwoord |
| zal geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geweend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geweend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘huilen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van wenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geweend | voltooid deelwoord | wenen |
| ween | gebiedende wijs | wenen |
| weende | verleden tijd | wenen |
| weenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wenen |
| weent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wenen |
| wene | aanvoegende wijs | wenen |
| wenend | onvoltooid deelwoord | wenen |
| wenende | woordvorm | wenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wenen zijn vastgelegd.