wemelen
werkwoordBetekenis
- door elkaar heen bewegen
- ~ van: in grote getale aanwezig zijn
- boren met een wemel, een omslagboor
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- ~ van: in groten getale aanwezig zijn impersonal
Vervoeging van wemelen
wemelenhele werkwoord — wemeldeverleden tijd enkelvoud — wemeldenverleden tijd meervoud — gewemeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wemel | wemelde |
| jij | wemelt | wemelde |
| hij, zij, het | wemelt | wemelde |
| wij | wemelen | wemelden |
| jullie | wemelen | wemelden |
| zij | wemelen | wemelden |
Alle 66 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewemeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewemeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewemeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewemeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewemeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewemeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewemeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewemeld | verleden tijd, deelwoord |
| gewemeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewemeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewemeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewemeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewemeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewemeld | verleden tijd, deelwoord |
| hebben gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewemeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewemeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te wemelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| wemel | gebiedende wijs |
| wemelde | verleden tijd |
| wemele | aanvoegende wijs |
| wemelend | onvoltooid, deelwoord |
| wemelt | tegenwoordige tijd |
| zal gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wemelen | toekomende tijd |
| zal wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewemeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wemelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewemeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wemelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘krioelen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1546
Woordfamilie van wemelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewemeld | voltooid deelwoord | wemelen |
| gewemelde | woordvorm | wemelen |
| wemel | gebiedende wijs | wemelen |
| wemelde | verleden tijd | wemelen |
| wemelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wemelen |
| wemele | aanvoegende wijs | wemelen |
| wemelend | onvoltooid deelwoord | wemelen |
| wemelende | woordvorm | wemelen |
| wemelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wemelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wemelen zijn vastgelegd.