Naar de inhoud

wegvallen

opeens niet meer tegenwoordig zijn

wegvallen

werkwoord

Betekenis

  1. opeens niet meer tegenwoordig zijn
  2. opeens niet meer functioneren
  3. overlijden

Vervoeging van wegvallen

wegvallenhele werkwoord — viel wegverleden tijd enkelvoud — vielen wegverleden tijd meervoud — weggevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val weg viel weg
jij valt weg viel weg
hij, zij, het valt weg viel weg
wij vallen weg vielen weg
jullie vallen weg vielen weg
zij vallen weg vielen weg
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn weggevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wegvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val weg gebiedende wijs
viel weg verleden tijd
waart weggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal vallen bijzin, toekomende tijd
weg zou vallen bijzin, voorwaardelijk
weg zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
weg zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen vallen bijzin, toekomende tijd
weg zult vallen bijzin, toekomende tijd
weggevallen verleden tijd, deelwoord
weggevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wegval bijzin, tegenwoordige tijd
wegvallend onvoltooid, deelwoord
wegvalt bijzin, tegenwoordige tijd
wegviel bijzin, verleden tijd
wegvielen bijzin, verleden tijd
wegvielt bijzin, verleden tijd
zal weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wegvallen bijzin, toekomende tijd
zijn weggevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wegvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) wegvallen weg zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wegvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wegvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wegvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wegvallen bijzin, toekomende tijd
zult weggevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult wegvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult wegvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal wegvallen weg zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van weg bw en vallen

Woordfamilie van wegvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
val weg gebiedende wijs wegvallen
valle weg woordvorm wegvallen
vallen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wegvallen
valt weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wegvallen
viel weg verleden tijd wegvallen
vielen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wegvallen
vielt weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon wegvallen
weggevallen voltooid deelwoord wegvallen
wegvalle with-subordinate-clause wegvallen
wegvallend onvoltooid deelwoord wegvallen
wegvallende woordvorm wegvallen
wegvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegvallen
wegviel subordinate-clause, verleden tijd wegvallen
wegvielen subordinate-clause, verleden tijd wegvallen
wegvielt subordinate-clause, verleden tijd wegvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wegvallen

Wat betekent wegvallen?
Wegvallen is een werkwoord. Het woord betekent: opeens niet meer tegenwoordig zijn. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je wegvallen?
Je vervoegt wegvallen als volgt: het voltooid deelwoord is weggevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wegvallen is 22 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wegvallen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. V 4
  5. A 1
  6. L 3
  7. L 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 22 zonder bonus
  11. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wegvallen in het kort

wegvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van wegvallen zijn 48 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wegvallen bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wegvallen: opeens niet meer tegenwoordig zijn
Deel wegvallen — standaardnederlands.nl