wegvallen
werkwoordBetekenis
- opeens niet meer tegenwoordig zijn
- opeens niet meer functioneren
- overlijden
Vervoeging van wegvallen
wegvallenhele werkwoord — viel wegverleden tijd enkelvoud — vielen wegverleden tijd meervoud — weggevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val weg | viel weg |
| jij | valt weg | viel weg |
| hij, zij, het | valt weg | viel weg |
| wij | vallen weg | vielen weg |
| jullie | vallen weg | vielen weg |
| zij | vallen weg | vielen weg |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn weggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val weg | gebiedende wijs |
| viel weg | verleden tijd |
| waart weggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| weggevallen | verleden tijd, deelwoord |
| weggevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegvallend | onvoltooid, deelwoord |
| wegvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegviel | bijzin, verleden tijd |
| wegvielen | bijzin, verleden tijd |
| wegvielt | bijzin, verleden tijd |
| zal weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegvallen weg zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wegvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wegvallen weg zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en vallen
Woordfamilie van wegvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| val weg | gebiedende wijs | wegvallen |
| valle weg | woordvorm | wegvallen |
| vallen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegvallen |
| valt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegvallen |
| viel weg | verleden tijd | wegvallen |
| vielen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegvallen |
| vielt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegvallen |
| weggevallen | voltooid deelwoord | wegvallen |
| wegvalle | with-subordinate-clause | wegvallen |
| wegvallend | onvoltooid deelwoord | wegvallen |
| wegvallende | woordvorm | wegvallen |
| wegvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegvallen |
| wegviel | subordinate-clause, verleden tijd | wegvallen |
| wegvielen | subordinate-clause, verleden tijd | wegvallen |
| wegvielt | subordinate-clause, verleden tijd | wegvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegvallen zijn vastgelegd.