wegteren
werkwoordBetekenis
- geleidelijk vergaan, wegkwijnen
Vervoeging van wegteren
wegterenhele werkwoord — teerde wegverleden tijd enkelvoud — teerden wegverleden tijd meervoud — weggeteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | teer weg | teerde weg |
| jij | teert weg | teerde weg |
| hij, zij, het | teert weg | teerde weg |
| wij | teren weg | teerden weg |
| jullie | teren weg | teerden weg |
| zij | teren weg | teerden weg |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn weggeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teer weg | gebiedende wijs |
| teerde weg | verleden tijd |
| waart weggeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggeteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggeteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggeteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te teren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen teren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal teren | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou teren | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden teren | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt teren | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen teren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen teren | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult teren | bijzin, toekomende tijd |
| weggeteerd | verleden tijd, deelwoord |
| weggeteerd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggeteerd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegteer | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegteerde | bijzin, verleden tijd |
| wegteerden | bijzin, verleden tijd |
| wegteert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegterend | onvoltooid, deelwoord |
| zal weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegteren | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggeteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggeteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegteren weg zou(dt) teren | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggeteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegteren | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggeteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wegteren | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegteren | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wegteren weg zult/zal teren | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg en teren
Woordfamilie van wegteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teer weg | gebiedende wijs | wegteren |
| teerde weg | verleden tijd | wegteren |
| teerden weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegteren |
| teert weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegteren |
| tere weg | woordvorm | wegteren |
| teren weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegteren |
| weggeteerd | voltooid deelwoord | wegteren |
| weggeteerde | woordvorm | wegteren |
| wegteer | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegteren |
| wegteerde | subordinate-clause, verleden tijd | wegteren |
| wegteerden | subordinate-clause, verleden tijd | wegteren |
| wegteert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegteren |
| wegtere | with-subordinate-clause | wegteren |
| wegterend | onvoltooid deelwoord | wegteren |
| wegterende | woordvorm | wegteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegteren zijn vastgelegd.