wegschieten
werkwoordBetekenis
- zich plotseling verplaatsen
- door schieten laten verdwijnen
Vervoeging van wegschieten
wegschietenhele werkwoord — schoot wegverleden tijd enkelvoud — schoten wegverleden tijd meervoud — weggeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet weg | schoot weg |
| jij | schiet weg | schoot weg |
| hij, zij, het | schiet weg | schoot weg |
| wij | schieten weg | schoten weg |
| jullie | schieten weg | schoten weg |
| zij | schieten weg | schoten weg |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is weggeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weggeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weggeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weggeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weggeschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weggeschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weggeschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weggeschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet weg | gebiedende wijs |
| schoot weg | verleden tijd |
| te hebben weggeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| weggeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| weggeschoten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggeschoten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggeschoten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggeschoten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggeschoten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggeschoten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggeschoten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggeschoten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegschietend | onvoltooid, deelwoord |
| wegschoot | bijzin, verleden tijd |
| wegschoten | bijzin, verleden tijd |
| werd weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt weggeschoten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegschieten weg zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt weggeschoten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggeschoten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult weggeschoten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van weg en schieten
Woordfamilie van wegschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schiet weg | gebiedende wijs | wegschieten |
| schiete weg | woordvorm | wegschieten |
| schieten weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegschieten |
| schoot weg | verleden tijd | wegschieten |
| schoten weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegschieten |
| weggeschoten | voltooid deelwoord | wegschieten |
| wegschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegschieten |
| wegschiete | with-subordinate-clause | wegschieten |
| wegschietend | onvoltooid deelwoord | wegschieten |
| wegschietende | woordvorm | wegschieten |
| wegschoot | subordinate-clause, verleden tijd | wegschieten |
| wegschoten | subordinate-clause, verleden tijd | wegschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegschieten zijn vastgelegd.