Naar de inhoud

wegleggen

terzijde leggen

wegleggen

werkwoord

Betekenis

  1. terzijde leggen
  2. opbergen, achter slot brengen

Vervoeging van wegleggen

wegleggenhele werkwoord — legde wegverleden tijd enkelvoud — legden wegverleden tijd meervoud — weggelegdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik leg weg legde weg
jij legt weg legde weg
hij, zij, het legt weg legde weg
wij leggen weg legden weg
jullie leggen weg legden weg
zij leggen weg legden weg
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is weggelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was weggelegd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd weggelegd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt weggelegd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal weggelegd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal weggelegd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou weggelegd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou weggelegd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had weggelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had weggelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden weggelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden weggelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben weggelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
leg weg gebiedende wijs
legde weg verleden tijd
te hebben weggelegd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wegleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggelegd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggelegd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggelegd voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te leggen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal leggen bijzin, toekomende tijd
weg zou leggen bijzin, voorwaardelijk
weg zouden leggen bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt leggen bijzin, voorwaardelijk
weg zullen leggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen leggen bijzin, toekomende tijd
weg zult leggen bijzin, toekomende tijd
weggelegd verleden tijd, deelwoord
weggelegd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weggelegd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weggelegd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggelegd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggelegd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggelegd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
weggelegd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
weggelegd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
weggelegd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weggelegd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wegleg bijzin, tegenwoordige tijd
weglegde bijzin, verleden tijd
weglegden bijzin, verleden tijd
wegleggend onvoltooid, deelwoord
weglegt bijzin, tegenwoordige tijd
werd weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt weggelegd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt weggelegd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal weggelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wegleggen bijzin, toekomende tijd
zijn weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggelegd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wegleggen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) wegleggen weg zou(dt) leggen bijzin, voorwaardelijk
zouden weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wegleggen bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggelegd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt weggelegd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wegleggen bijzin, voorwaardelijk
zullen weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weggelegd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen weggelegd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggelegd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggelegd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen wegleggen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wegleggen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wegleggen bijzin, toekomende tijd
zult weggelegd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van weg en leggen

Woordfamilie van wegleggen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
leg weg gebiedende wijs wegleggen
legde weg verleden tijd wegleggen
legden weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wegleggen
legge weg woordvorm wegleggen
leggen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wegleggen
legt weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wegleggen
wegleg subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegleggen
weglegde subordinate-clause, verleden tijd wegleggen
weglegden subordinate-clause, verleden tijd wegleggen
weglegge with-subordinate-clause wegleggen
wegleggend onvoltooid deelwoord wegleggen
wegleggende woordvorm wegleggen
weglegt subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegleggen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegleggen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wegleggen

Wat is de betekenis van wegleggen?
Wegleggen is een werkwoord. De betekenis is: terzijde leggen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik wegleggen?
Zo vervoeg je wegleggen zo: het voltooid deelwoord is weggelegd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wegleggen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wegleggen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 93 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. L 3
  5. E 1
  6. G 3
  7. G 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 zonder bonus
  11. 93 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wegleggen in het kort

wegleggen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van wegleggen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort wegleggen bij een woordfamilie van 13 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

wegleggen: terzijde leggen
Deel wegleggen — standaardnederlands.nl