wegkomen
werkwoordBetekenis
- op gelukkige wijze ontsnappen
- zich verwijderen, ophoepelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wegkomen
wegkomenhele werkwoord — kwam wegverleden tijd enkelvoud — kwamen wegverleden tijd meervoud — weggekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom weg | kwam weg |
| jij | komt weg | kwaamt weg |
| hij, zij, het | komt weg | kwam weg |
| wij | komen weg | kwamen weg |
| jullie | komen weg | kwamen weg |
| zij | komen weg | kwamen weg |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom weg | gebiedende wijs |
| kwam weg | verleden tijd |
| te zijn weggekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| weggekomen | verleden tijd, deelwoord |
| weggekomen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggekomen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegkomend | onvoltooid, deelwoord |
| wegkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| wegkwam | bijzin, verleden tijd |
| wegkwamen | bijzin, verleden tijd |
| zal weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegkomen weg zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggekomen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggekomen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wegkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wegkomen weg zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en komen
Woordfamilie van wegkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom weg | gebiedende wijs | wegkomen |
| kome weg | woordvorm | wegkomen |
| komen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegkomen |
| komt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegkomen |
| kwam weg | verleden tijd | wegkomen |
| kwamen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegkomen |
| weggekomen | voltooid deelwoord | wegkomen |
| wegkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegkomen |
| wegkome | with-subordinate-clause | wegkomen |
| wegkomend | onvoltooid deelwoord | wegkomen |
| wegkomende | woordvorm | wegkomen |
| wegkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegkomen |
| wegkwam | subordinate-clause, verleden tijd | wegkomen |
| wegkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | wegkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegkomen zijn vastgelegd.