wegkapen
werkwoordBetekenis
- geweldadig wegnemen, ontstelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van wegkapen
wegkapenhele werkwoord — kaapte wegverleden tijd enkelvoud — kaapten wegverleden tijd meervoud — weggekaaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kaap weg | kaapte weg |
| jij | kaapt weg | kaapte weg |
| hij, zij, het | kaapt weg | kaapte weg |
| wij | kapen weg | kaapten weg |
| jullie | kapen weg | kaapten weg |
| zij | kapen weg | kaapten weg |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is weggekaapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was weggekaapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd weggekaapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt weggekaapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal weggekaapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal weggekaapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou weggekaapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou weggekaapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had weggekaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had weggekaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had weggekaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden weggekaapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden weggekaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden weggekaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt weggekaapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggekaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kaap weg | gebiedende wijs |
| kaapte weg | verleden tijd |
| te hebben weggekaapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen wegkapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren weggekaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggekaapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te kapen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen kapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal kapen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou kapen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden kapen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt kapen | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen kapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen kapen | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult kapen | bijzin, toekomende tijd |
| weggekaapt | verleden tijd, deelwoord |
| weggekaapt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggekaapt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weggekaapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggekaapt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggekaapt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggekaapt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggekaapt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| weggekaapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggekaapt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weggekaapt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegkaap | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegkaapt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| wegkaapte | bijzin, verleden tijd |
| wegkaapten | bijzin, verleden tijd |
| wegkapend | onvoltooid, deelwoord |
| werd weggekaapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden weggekaapt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden weggekaapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt weggekaapt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal weggekaapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal weggekaapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal wegkapen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn weggekaapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou weggekaapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou weggekaapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou wegkapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) wegkapen weg zou(dt) kapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggekaapt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden weggekaapt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden wegkapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggekaapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt wegkapen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggekaapt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen weggekaapt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen wegkapen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen wegkapen | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggekaapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult wegkapen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult wegkapen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal wegkapen weg zult/zal kapen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en kapen
Woordfamilie van wegkapen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kaap weg | gebiedende wijs | wegkapen |
| kaapt weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | wegkapen |
| kaapte weg | verleden tijd | wegkapen |
| kaapten weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | wegkapen |
| kape weg | woordvorm | wegkapen |
| kapen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | wegkapen |
| weggekaapt | voltooid deelwoord | wegkapen |
| weggekaapte | woordvorm | wegkapen |
| wegkaap | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegkapen |
| wegkaapt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | wegkapen |
| wegkaapte | subordinate-clause, verleden tijd | wegkapen |
| wegkaapten | subordinate-clause, verleden tijd | wegkapen |
| wegkape | with-subordinate-clause | wegkapen |
| wegkapend | onvoltooid deelwoord | wegkapen |
| wegkapende | woordvorm | wegkapen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegkapen zijn vastgelegd.