Naar de inhoud

weggaan

zich ergens vandaan begeven

weggaan

werkwoord ˈwɛxan

Betekenis

  1. zich ergens vandaan begeven
  2. uitgaan, feesten
  3. uit een relatie stappen

Hoe spreek je weggaan uit?

/ˈwɛxan/

Weggaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈwɛxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɛ bed
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van weggaan

weggaanhele werkwoord — ging wegverleden tijd enkelvoud — gingen wegverleden tijd meervoud — weggegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga weg ging weg
jij gaat weg ging weg
hij, zij, het gaat weg ging weg
wij gaan weg gingen weg
jullie gaan weg gingen weg
zij gaan weg gingen weg
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
ga weg gebiedende wijs
ging weg verleden tijd
is weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn weggegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen weggaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal gaan bijzin, toekomende tijd
weg zou gaan bijzin, voorwaardelijk
weg zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
weg zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen gaan bijzin, toekomende tijd
weg zult gaan bijzin, toekomende tijd
wegga bijzin, tegenwoordige tijd
weggaand onvoltooid, deelwoord
weggaat bijzin, tegenwoordige tijd
weggegaan verleden tijd, deelwoord
weggegaan te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggegaan zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
wegging bijzin, verleden tijd
weggingen bijzin, verleden tijd
zal weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal weggaan bijzin, toekomende tijd
zal weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn weggegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou weggaan bijzin, voorwaardelijk
zou weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) weggaan weg zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden weggaan bijzin, voorwaardelijk
zouden weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt weggaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggegaan zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen weggaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen weggaan bijzin, toekomende tijd
zullen weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult weggaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult weggaan bijzin, toekomende tijd
zult weggegaan zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal weggaan weg zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van weg bw en gaan

Woordfamilie van weggaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga weg gebiedende wijs weggaan
gaan weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon weggaan
gaat weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon weggaan
ging weg verleden tijd weggaan
gingen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon weggaan
wegga subordinate-clause, tegenwoordige tijd weggaan
weggaand onvoltooid deelwoord weggaan
weggaande woordvorm weggaan
weggaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd weggaan
weggegaan voltooid deelwoord weggaan
wegging subordinate-clause, verleden tijd weggaan
weggingen subordinate-clause, verleden tijd weggaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weggaan zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over weggaan

Hoe spreek je weggaan uit?
De uitspraak van weggaan is: /ˈwɛxan/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent weggaan?
Weggaan is een werkwoord. Het woord betekent: zich ergens vandaan begeven. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je weggaan?
Je vervoegt weggaan als volgt: het voltooid deelwoord is weggegaan. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord weggaan is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

weggaan levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 115 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 15 zonder bonus
  9. 115 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

weggaan telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

weggaan in het kort

weggaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van weggaan zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort weggaan bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

weggaan: zich ergens vandaan begeven
Deel weggaan — standaardnederlands.nl