weggaan
werkwoord ˈwɛxanBetekenis
- zich ergens vandaan begeven
- uitgaan, feesten
- uit een relatie stappen
Hoe spreek je weggaan uit?
/ˈwɛxan/
Weggaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van weggaan
weggaanhele werkwoord — ging wegverleden tijd enkelvoud — gingen wegverleden tijd meervoud — weggegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga weg | ging weg |
| jij | gaat weg | ging weg |
| hij, zij, het | gaat weg | ging weg |
| wij | gaan weg | gingen weg |
| jullie | gaan weg | gingen weg |
| zij | gaan weg | gingen weg |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga weg | gebiedende wijs |
| ging weg | verleden tijd |
| is weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn weggegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen weggaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart weggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren weggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren weggegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was weggegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was weggegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was weggegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| weg te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| weg te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weg zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| weg zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| weg zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| weg zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| weg zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| wegga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weggaand | onvoltooid, deelwoord |
| weggaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| weggegaan | verleden tijd, deelwoord |
| weggegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| weggegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| wegging | bijzin, verleden tijd |
| weggingen | bijzin, verleden tijd |
| zal weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal weggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn weggegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt weggegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou weggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) weggaan weg zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden weggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt weggaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt weggegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen weggaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen weggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult weggaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult weggaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult weggegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal weggaan weg zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van weg bw en gaan
Woordfamilie van weggaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga weg | gebiedende wijs | weggaan |
| gaan weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | weggaan |
| gaat weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | weggaan |
| ging weg | verleden tijd | weggaan |
| gingen weg | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | weggaan |
| wegga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | weggaan |
| weggaand | onvoltooid deelwoord | weggaan |
| weggaande | woordvorm | weggaan |
| weggaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | weggaan |
| weggegaan | voltooid deelwoord | weggaan |
| wegging | subordinate-clause, verleden tijd | weggaan |
| weggingen | subordinate-clause, verleden tijd | weggaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weggaan zijn vastgelegd.