Naar de inhoud

wegfietsen

zich op de fiets verwijderen

wegfietsen is meer dan één woord

wegfietsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. zich op de fiets verwijderen

Vervoeging van wegfietsen

wegfietsenhele werkwoord — fietste wegverleden tijd enkelvoud — fietsten wegverleden tijd meervoud — weggefietstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik fiets weg fietste weg
jij fietst weg fietste weg
hij, zij, het fietst weg fietste weg
wij fietsen weg fietsten weg
jullie fietsen weg fietsten weg
zij fietsen weg fietsten weg
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
fiets weg gebiedende wijs
fietste weg verleden tijd
is weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn weggefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen wegfietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart weggefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren weggefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren weggefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was weggefietst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was weggefietst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was weggefietst voltooid, verleden tijd, derde persoon
weg te fietsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
weg te zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
weg zal fietsen bijzin, toekomende tijd
weg zou fietsen bijzin, voorwaardelijk
weg zouden fietsen bijzin, voorwaardelijk
weg zoudt fietsen bijzin, voorwaardelijk
weg zullen fietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
weg zullen fietsen bijzin, toekomende tijd
weg zult fietsen bijzin, toekomende tijd
wegfiets bijzin, tegenwoordige tijd
wegfietsend onvoltooid, deelwoord
wegfietst bijzin, tegenwoordige tijd
wegfietste bijzin, verleden tijd
wegfietsten bijzin, verleden tijd
weggefietst verleden tijd, deelwoord
weggefietst te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
weggefietst zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
zal wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal wegfietsen bijzin, toekomende tijd
zal weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn weggefietst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt weggefietst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou wegfietsen bijzin, voorwaardelijk
zou weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) wegfietsen weg zou(dt) fietsen bijzin, voorwaardelijk
zouden wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden wegfietsen bijzin, voorwaardelijk
zouden weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt wegfietsen bijzin, voorwaardelijk
zoudt weggefietst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen wegfietsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen wegfietsen bijzin, toekomende tijd
zullen weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult wegfietsen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult wegfietsen bijzin, toekomende tijd
zult weggefietst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal wegfietsen weg zult/zal fietsen bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord wegfiets

Herkomst

samenstelling van weg en fietsen

Woordfamilie van wegfietsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
fiets weg gebiedende wijs wegfietsen
fietse weg woordvorm wegfietsen
fietsen weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon wegfietsen
fietst weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon wegfietsen
fietste weg verleden tijd wegfietsen
fietsten weg aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon wegfietsen
wegfietse with-subordinate-clause wegfietsen
wegfietsend onvoltooid deelwoord wegfietsen
wegfietsende woordvorm wegfietsen
wegfietst subordinate-clause, tegenwoordige tijd wegfietsen
wegfietste subordinate-clause, verleden tijd wegfietsen
wegfietsten subordinate-clause, verleden tijd wegfietsen
weggefietst voltooid deelwoord wegfietsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van wegfietsen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over wegfietsen

Wat betekent wegfietsen?
Wegfietsen is een werkwoord. Het woord betekent: zich op de fiets verwijderen.
Hoe vervoeg je wegfietsen?
Je vervoegt wegfietsen als volgt: het voltooid deelwoord is weggefietst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord wegfietsen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. F 4
  5. I 1
  6. E 1
  7. T 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

wegfietsen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 96 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. G 3
  4. F 4
  5. I 2
  6. E 1
  7. T 2
  8. S 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 96 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

wegfietsen in het kort

wegfietsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Van wegfietsen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort wegfietsen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

wegfietsen: zich op de fiets verwijderen
Deel wegfietsen — standaardnederlands.nl